Deetman

DE Onderwijsinspectie vindt dat het nu maar eens hardop gezegd moet worden: het gaat slecht met allochtone leerlingen in Nederland. We wisten het dus al langer, maar het taboe waarmee we onze nieuwe medelanders hebben omgeven, wilde nu eenmaal dat het niet gezegd werd. Althans niet hardop. Tien jaar geleden mocht het zelfs niet zachtop gefluisterd worden. Toen, op 24 juni 1989, schreef ik in Elsevier: ``We besteden al jaar en dag extra gelden voor onderwijsvoorzieningen voor etnische minderheden. De effecten daarvan zijn nihil, vertelde mij onlangs iemand die het kan weten. De bedragen in kwestie overtreffen inmiddels al lang die van het RSV-schandaal.''

Twee weken later volgde een ingezonden brief ondertekend met `Drs. W.J. Deetman, minister van onderwijs en wetenschappen'. ``De heer Prick'', zo schreef de minister, ``heeft zich naar zijn zeggen laten informeren door `iemand die het kan weten'. Gezien zijn gevolgtrekking zal dat in het gunstigste geval iemand geweest zijn die 'beter had moeten weten'. (...) Als handreiking verkies ik dan enige feitelijke voorinformatie. Het resultaat dat we met het beleid beogen is nog niet wat het zijn moet. Dat is ook niet zo vreemd als we bedenken dat Nederland nog maar kort met een flinke instroom van allochtone leerlingen te maken heeft. Momenteel is bovendien de tussentijdse instroom van allochtone kinderen door de gezinshereniging aanzienlijk, hetgeen vanzelfsprekend het gemiddelde der leerprestaties drukt. Daar komt bij, zoals uit onderzoek blijkt, dat er zeker twee tot drie generaties overheen gaan om achterstanden weg te werken en er sprake kan zijn van integratie. Het vergt dus een en ander van het Nederlandse onderwijs om zich in te stellen op het tot voor kort onbekende fenomeen van grote groepen leerlingen die de Nederlandse taal niet of nauwelijks beheersen.''

`Het is nog niet wat het zijn moet', meende de minister, maar in hoeverre dat het geval was, daar kon hij geen zinnig woord over zeggen. Het zou namelijk nog jaren duren voor iemand überhaupt ook maar geïnteresseerd raakte in wat er feitelijk op scholen, dus ook op zwarte scholen, gebeurde. Op sommige werd keihard gewerkt, speciaal materiaal ontwikkeld voor allochtone leerlingen, gericht remedial teaching gegeven door docenten die zich op dat terrein hadden bekwaamd. Elders werden de klassen verkleind en waren de enigen die van de extra gelden profiteerden de leraren die het daardoor gemakkelijker kregen. Het resultaat zien we nu, omdat we eindelijk de moed hebben ook in het onderwijs de mensen die daar werken te vragen verantwoording af te leggen. Dat heeft heel wat voeten in de aarde gehad en nog steeds zijn er relicten die menen deze ontwikkeling tegen te kunnen houden met het argument dat een school niet mag worden afgerekend op `alleen maar kille cijfertjes'.

Gelukkig wekt inspecteur-generaal Ferdinand Mertens niet de indruk daar gevoelig voor te zijn, want die cijfertjes, hoe kil ook, leren dat er dramatische verschillen zijn tussen scholen met een vergelijkbare leerlingenpopulatie. Die verschillen zijn niet van vandaag of gisteren; ze zijn in de loop der jaren gegroeid. Dat dit mogelijk was kwam doordat we daar geen toezicht op hielden, ons koesterden in de illusie dat het allemaal eigenlijk best goed verliep. Signalen die op het tegendeel wezen werden genegeerd als gevolg van het mengsel van onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid dat het onderwijs decennia lang heeft geregeerd. Pas sinds kort hebben we daarmee gebroken. We mogen Mertens en de zijnen daar dankbaar voor zijn.