Cultuurbeleid verrijkt de kunst

Overheid, markt en kunstwereld zijn steeds meer met elkaar verstrengeld geraakt.

Ton Bevers vindt dat dit geen bedreiging voor de cultuur vormt, maar haar maatschappelijke positie juist versterkt.

Sinds de toenmalige minister van Cultuur, E. Brinkman, de systematiek van het vierjarige kunstenplan invoerde is kunstbeleid in de praktijk steeds meer gaan lijken op een ambtelijke overheidsdienst die met formulieren, richtlijnen, termijnen, openingstijden en volgnummers haar klanten bedient. De volgende stap is eens in de vier jaar een circulaire van het departement in de brievenbus met op de sticker de tekst `geen veranderingen in het aangegeven tijdvak? Dan dit formulier s.v.p. ondertekend retour zenden'. Maar zover zal het niet komen. De kritische geluiden in de media nemen toe, terwijl ambtenaren en adviseurs al nadenken over een nieuw scenario.

Een van de critici is Pieter Kottman, die in deze krant van 1 mei niet zozeer de bureaucratische rompslomp van het kunstbeleid aan de kaak stelde maar vooral zijn ergernis uitsprak over de koers die de eerstverantwoordelijke voor het kunstenplan, staatssecretaris Van der Ploeg, wenst te gaan varen. De politiek, met name die van de sociaal-democratie, aldus Kottman, heeft er een handje van om de kunst voor allerlei karretjes te spannen. Van der Ploeg zou het echter nog bonter maken door het onderscheid tussen westerse en niet-westerse kunst, tussen hoge kunst en populaire cultuur ter discussie te stellen en daarmee ook het kwaliteitscriterium bij de beoordeling van kunstsubsidies. Met zijn beleidsvoornemens om meer nadruk te leggen op kunst en cultuur van en voor jongeren, allochtonen en het grote publiek zou Van der Ploeg zelfs een Umwertung aller Werte propageren. De staatssecretaris komt niet met nieuwe ideeën en hij perverteert de bestaande. Wat Kottman vooral ook irriteert is de slaafse houding van de Raad voor Cultuur in zijn rol van His Masters Voice.

Ik deel deze kritiek op bepaalde punten, maar wil het onderwerp `overheid en kunst' nu eens van een positieve kant benaderen. Overheidsbemoeienis met kunst is in de westerse wereld al minstens vijftig jaar te typeren als cultuurzorg. Democratische staten moeten niets hebben van de pronkcultuur van weleer ter meerdere eer en glorie van machthebbers en gezagsdragers. Niet langer geldt een voorgeschreven staatskunst. Democratische cultuurzorg behoort daarmee tot een van de belangrijke verworvenheden van deze eeuw ten gunste van de kunstwereld.

Er zijn weinig kunstenaars in wier werk de relatie kunst en samenleving op geen enkele manier een rol speelt. Kunstenaars stimuleren het debat en de reflectie over mens en maatschappij. Zij vervullen een cultuurpolitieke functie door mensen aan te zetten tot stop and think. Als kunstenaars gewaardeerd worden om hun maatschappelijk engagement, valt niet goed in te zien waarom men de overheid meent te moeten verwijten dat zij de maatschappelijke functies van kunst juist zo benadrukt in haar cultuurbeleid. De overheid speelt een centrale en vruchtbare rol in het kunstdebat. Het zou een verarming van de discussie teweegbrengen als de overheid zichzelf die rol zou ontzeggen.

De overheid speelt vooral een organiserende rol in de maatschappelijke discussie over kunst en cultuur. De inhoud die zij zelf inbrengt komt meestal voort uit de kunstwereld en uit andere velden van de samenleving, met name die van de media, het onderwijs en de wetenschappen, uit kringen waarin de goedopgeleide middenklasse van deskundigen met alpha- en gamma-diploma's werkzaam is. De veranderende opvattingen over de rol van kunst in de samenleving kunnen moeilijk aan de overheid alleen worden toegeschreven. Het onderscheid tussen hoog-laag in de cultuur, de vervaging ervan, het problematische kwaliteitsbegrip, de verhouding tussen politiek, economie en kunst, tussen westerse -en niet westerse cultuuruitingen, de jongerencultuur, het multiculturalisme – kortom, alle thema's die de staatssecretaris tot inzet van zijn cultuurbeleid maakt, komen meestal niet uit de Zoetermeerse en Haagse burelen noch uit de sociaal-democratische archieven, maar uit het druk bezette spelersveld van de kunstwereld zelf. De overheid is een speler tussen andere spelers. De kunstwereld zou veel meer waardering moeten hebben voor zoveel betrokkenheid van de kant van de overheid.

De overheid houdt de vinger aan de pols èn op de knip.In de persoon van de staatssecretaris is in de verste verte geen Zarathustra te herkennen die alle waarden omkeert en dat met klinkende munt verzilvert. Wie de verschuivingen in de overheidsuitgaven voor kunst en cultuur analyseert, zal merken dat in de vierjarige cycli van de kunstenplannen weinig of geen opzienbarende re-allocaties hebben plaatsgevonden. Ook het cultuurbeleid is gebonden aan de smalle marges van de democratie. Cultuurzorg is vooral een kwestie van alles en iedereen zoveel mogelijk ontzien en het oude niet voor het nieuwe laten opdraaien. In de tweede helft van deze eeuw zijn de gevestigde kunsten niets tekort gekomen en is in nieuwe kunstuitingen geïnvesteerd. Het spel wordt er niet gemakkelijker op met de verbreding van het kunst- en cultuurbegrip, de talloze grensoverschrijdingen in het culturele veld, de expansie van het culturele apparaat dat steeds op zoek is naar nieuwe witte plekken om beleid voor te ontwikkelen. Is het niet voor een museum voor kinderkunst dan wel voor muziektherapie voor zwangere vrouwen. Het einde van de kunst mag dan aangekondigd zijn, over het einde van het kunstbeleid heb ik nog niemand iets horen zeggen.

Kunst is niet democratisch van aard en talent is niet democratisch verdeeld, maar dat sluit een democratisch kunstbeleid niet uit. De toneelvoorstellingen van het Rotterdams Wijktheater in buurthuis De Zevensprong behoren net zo goed tot het domein van de openbare zorg voor cultuur als de Ring van Wagner in het Muziektheater. Gelukkig is dat ook het geval. De volop zichtbare kunst in het stadscentrum en de minder zichtbare kunst van om de hoek en in de wijk krijgen terecht vanuit maatschappelijk oogpunt gezien evenveel aandacht van de overheid. Wie vindt dat kunst per definitie elitair en ondemocratisch is, kan empirisch vaststellen dat kunstbeleid in ieder geval niet elitair en ondemocratisch hoeft te zijn.

In deze eeuw is op moeizame wijze een coalitie tussen overheid en kunst ontstaan in een gezamelijke poging om de culturele vervlakking tegen te werken, veroorzaakt door de oprukkende commercie met zijn producten van de massacultuur. Hoewel er tussen overheid, markt en kunstwereld nog genoeg ideologische verschillen blijven bestaan, zijn de drie partijen steeds meer met elkaar verstrengeld geraakt. Zij zoeken elkaar op in wisselende coalities. Deze convergerende tendensen, vooral op technisch-instrumenteel vlak, tussen overheid, markt en kunstwereld vormen geen bedreiging voor de cultuur, maar versterken juist haar maatschappelijke positie.

Alexis De Tocqueville concludeerde in zijn studie uit 1848 over de democratie in Amerika dat voor de democratie een hoge prijs betaald moest worden, het verlies van de aristocratie van de kunst. Die voorspelling is niet uitgekomen. Democratische staten hebben de kunstwereld niet verzwakt, maar juist versterkt. Van Oscar Wilde is de uitspraak ,,The form of government that is most suitable to the artist is no government at all''. Dat gold misschien voor zijn tijd, maar niet voor de onze.

Ton Bevers is hoogleraar kunst- en cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.