Bijlmerenquête 1

Onder de kop `Media treft geen blaam bij Bijlmerenquête' (NRC Handelsblad, 11 mei) trachten twee auteurs de uit deze enquête ontstane publicitaire puinhoop, goed te praten. Zij gebruiken het woord/begrip `onderzoeksjournalistiek', hetgeen aanleiding geeft tot het volgende: het parlement, wiens taak het is de regering te controleren, benoemt vanuit zijn midden een commissie die op haar beurt een controle-onderzoek houdt. Vervolgens komen daarbij de media die zich competent achten om gedurende het verloop van dat onderzoek dat publiekelijk te controleren. De cruciale vraag is nu: wie controleert de media? Zelfs een relatief bescheiden poging van de heer Vasterman (8 mei) wordt onmiddellijk en met veel omhaal getorpedeerd.

De vraag is waarom de media hun pijlen niet richten op het parlement zelve dat heeft verzuimd om vooraf en gedurende het onderzoek te wijzen op het feit dat hier geen sprake van een rechtszaak is. De burger neemt regelmatig kennis van de Amerikaanse gefingeerde rechtszittingen op de tv. Als gevolg waarvan het voor de hand ligt dat – mede gezien de verhoortechniek van de commissieleden die van deze films leek afgekeken, de kijkers in verwarring zijn geraakt. Toen zij via de talloze praatprogramma's bovendien de indruk kregen dat zij invloed konden uitoefenen op de gang van zaken was het hek van de dam. In deze spiraal van onwetendheid, belustheid op rellen en leedvermaak hebben de media onmiskenbaar een accelererende rol gespeeld. Dat te erkennen zou de auteurs hebben gesierd.