ALLOCHTONEN

Het artikel `Treurig, zorgelijk en moeilijk' over de (blijvende) onderwijsachterstand van allochtonen (W&O, 8 mei) slaat terecht een alarmistische toon aan. Dat gebeurt politiek veel te weinig. De vooralsnog blijvende taalachterstand is zowel een bedreiging voor de levenskansen van de betrokken allochtone kinderen zelf als voor de Nederlandse economie. Die laatste zal nog veel meer last krijgen van de paradox dat ondanks een hoge vraag naar arbeid er een hardnekkige kern van moeilijk inzetbaren is, waardoor de neiging tot het uitlokken van nieuwe gastarbeid groot wordt. En die wordt met aansluiting van Polen en andere Oost-Europese landen bij de EU alleen maar gemakkelijker te realiseren.

De vraag `wat te doen?' is verre van eenvoudig te beantwoorden. Uw artikel citeert op het eind de heer Arslan die voor een deltaplan pleit. Daarin worden vooral de scholen aangekeken, en via de scholen de leerlingen. Wat mij opvalt is de lankmoedige houding tegenover de ouders. Die moeten weliswaar ervoor zorgen dat hun kinderen naar school gaan. Maar ze worden niet aangespoord thuis hun `huiswerk' te doen, namelijk met hun kinderen van stonde af (al dan niet naast de eigen taal) in het Nederlands te spreken en in contact te brengen met de Nederlandse maatschappij, en ze motiveren voor een schoolcarrière. Dat hoeft niet het `opgeven' van de eigen taal te betekenen, maar bijvoorbeeld wel het overschakelen op Nederlandse tv.

Ouders moeten zich realiseren dat zij geëmigreerd zijn, en dat zij de belangrijkste motivatoren zijn voor inbedding van hun kinderen in de maatschappelijke omgeving. De school is altijd te laat en altijd te afstandelijk. Onderwijzers worden bovendien al veel te veel belast met opvoedingscompensatie, ook voor autochtone kinderen.