Alles voor de Serviërs

Mocht het in de Kosovo-crisis tot een akkoord komen, dan weet president Clinton wel hoe dat gehandhaafd moet worden. Met Russische soldaten in een VN-vredesmacht. Net als in Bosnië. Maar gaat het dan zo goed in Bosnië? Voelen de moslims zich wel veilig?

En werken de Russen wel samen met de Amerikanen?

In de Servisch-orthodoxe kerk van Trnva, een dorp in het noord-oosten van Bosnië, staan Russische SFOR-militairen naast Servische nonnen. Ze zingen om beurten, ze bidden. De dienst wordt deze ochtend geleid door twee priesters: een Servische uit het dorp en de Russische priester van de SFOR-brigade in Bosnië.

,,God zegene de Russische soldaten'', zegt de Servische priester, ,,die hier hun vredesmissie uitvoeren.'' Zijn Russische collega: ,,En laten we bidden voor de Servische soldaten die sneuvelden omdat ze hun vaderland en hun geloof verdedigden.''

De militairen en de nonnen buigen hun hoofd, slaan een kruis. Twee Russische soldaten filmen de ceremonie met hun videocamera's.

Na de dienst is er koffie en rakia, op de binnenplaats van het klooster bij de kerk. De nonnen kijken tevreden, ze vullen glazen en ze lachen hard om de grappen van de Russische leger-priester, een nerveuze man met roodaangelopen gezicht. Kolonel Viktor Pozdnjakov uit Moskou schenkt zichzelf vier keer in vier minuten een nieuw glas rakia in. Dan drinkt hij ook van zijn koffie, hij wil niet onbeleefd zijn. ,,Een gewoonte van hier'', zegt hij. ,,Ze drinken koffie bij hun rakia. Russen drinken alleen wodka, zonder koffie.''

Er zijn dertienhonderd Russische SFOR-militairen in Bosnië. SFOR, Stabilisation Force, is de internationale troepenmacht (in totaal 30.000 militairen) die de vrede in Bosnië moet bewaren. In 1995 kwam er, door het akkoord van Dayton, een eind aan de oorlog tussen Serviërs, moslims en Kroaten. Bosnië werd onderverdeeld in de Bosnische Federatie van moslims en Kroaten, en de Servische Republiek in het noorden en oosten van Bosnië.

De SFOR-militairen, onder commando van Navo-generaal Clark, moeten ervoor zorgen dat de drie bevolkingsgroepen veilig door heel Bosnië kunnen reizen en dat vluchtelingen kunnen terugkeren naar hun huizen. Vluchtelingen uit het buitenland, maar vooral ook de bijna negenhonderdduizend vluchtelingen in Bosnië zelf – moslims of Kroaten uit dorpen en steden die nu in de Servische Republiek liggen, of Serviërs uit gebieden die na het Daytonakkoord bij de Federatie horen.

De internationale vredesmacht in Bosnië, zei president Clinton begin mei, zou het `model' moeten zijn voor troepen die naar Kosovo gestuurd worden als er een akkoord komt met de Joegoslavische regering. Net als in Bosnië moeten Russische militairen deel uitmaken van zo'n vredesmacht. Want alleen als de Russen meedoen, zal Belgrado misschien instemmen met de komst van buitenlandse troepen.

In Bosnië valt het grootste deel van de Servische Republiek onder verantwoordelijkheid van de Russische SFOR-soldaten, en ook een klein deel van de Federatie: het gebied in het noorden van Bosnië dat grenst aan de Servische Republiek. De Russische brigade hoort bij de Multinationale Divisie Noord, onder bevel van een Amerikaanse generaal.

Amerikaanse en West-Europese politici deden de afgelopen jaren erg tevreden over de Russische deelname aan de troepenmacht in Bosnië. De basis onder het Daytonakkoord werd erdoor versterkt, en de Navo en Rusland werkten samen aan een vredesmissie.

Maar hoe verloopt die samenwerking op de grond in Bosnië? Hoe goed luisteren de Russen naar de Amerikaanse generaal van hun divisie? Hoe veilig voelen de moslims zich in het gebied waar de Russen hun SFOR-kampen hebben? En hoeveel moslims durfden terug te gaan naar hun huizen in dat deel van Bosnië?

Is het wel zo verstandig om de vredesmacht in Bosnië, en dan vooral de Russische bijdrage daaraan, als model te gebruiken voor Kosovo?

Nee, schreven politieke analisten van de International Crisis Group vorige week in het rapport `Kosovo: let's learn from Bosnia'. Ze waarschuwden: als de Russische militairen, net als in Bosnië, gestationeerd worden in het deel van Kosovo waar relatief veel Serviërs wonen – ook in Kosovo is dat het noorden en oosten – zullen Albanese vluchtelingen uit dat gebied waarschijnlijk nooit terugkeren naar hun vroegere dorpen en steden.

Correct

Na de koffie en de rakia in de kloostertuin van Trvna stappen de Russische militairen in de SFOR-bus die hen zal terugbrengen naar hun basis in het Bosnisch-Servische stadje Ugljevik. Luitenant Dmitri Zoebatenko, arts in het Russische kamp, vertelt dat Russische militairen drie weken geleden bloed hebben gegeven voor Servische ziekenhuizen. Het was vooral bedoeld voor de kinderafdelingen. Zoebatenko: ,,Ze hadden een groot tekort, en wij doen alles voor de Serviërs.''

En voor de moslims in Bosnië? Zoebatenko: ,,Als ze een officieel verzoek indienen en als we zeker weten dat ze het bloed niet gaan verkopen, dan zouden we dat doen, ja.''

Kolonel Pozdnjakov, naast hem: ,,Wij hebben niks tegen moslims, wij gedragen ons correct tegen beide partijen.''

Zoebatenko: ,,Maar de internationale hulporganisaties doen veel meer voor de moslims dan voor de Serviërs. Dat is oneerlijk.''

,,Ja'', zegt de kolonel, ,,en dat proberen wij in balans te brengen door meer voor Serviërs te doen.''

Bijna alle militairen van de Russische luchtlandingsbrigade, de eenheid die door Moskou werd aangewezen voor de SFOR-taken, wilden graag naar Bosnië worden uitgezonden. De meeste van hen vochten in Moldavië, Abchazië, Tsjetsjenië, en veel van de hogere officieren waren betrokken bij de oorlog in Afganistan. Na die ervaringen is de vredesmissie in Bosnië bijna een vakantiekamp. Gevaar is er nauwelijks. Van de Serviërs hebben ze niets te vrezen. Er was ook nog geen moslim die serieus probeerde de Russen iets aan te doen. En ze verdienen, voor wat ze gewend zijn, enorme bedragen: in Rusland krijgt een soldaat twee- tot driehonderd gulden per maand, in Bosnië tweeduizend.

Ze trainen, ze voetballen, volleyballen of pingpongen en ze doen mee aan vechtsport-wedstrijden op de basis. Ze patrouilleren of ze lopen wacht op de checkpoints tussen de Servische Republiek en de Federatie. Een keer per week bespreken ze, onder leiding van de commandant van hun eenheid, artikelen uit Russische kranten, of ze leren over de geschiedenis van Rusland en het leger.

Verder zijn ze vooral veel tijd kwijt aan marcheren. Op zaterdagochtend marcheren zo'n veertig officieren en onderofficieren over het plein van het grootste kamp van de Russen, in Ugljevik, op muziek van de militaire blaaskapel. Achteraan drie vrouwelijke militairen, verpleegkundigen van de kliniek op de basis. Onder hun uniform dragen ze schoenen met hoge hakken. Ze kunnen de anderen nauwelijks bijhouden. Maar ook die marcheren niet zoals hun commandant wil. Zes keer laat hij ze de mars overdoen.

Na de oefening zit kolonel Viktor Pozdnjakov, die ook meemarcheerde, na te zweten in café Bosanski Bozur, aan de rand van het plein. Hij vertelt dat hij afgelopen nacht niet heeft geslapen. De kolonel vierde, voor de tweede achtereenvolgende avond, de verjaardag van een van de officieren. Hij doet zijn mond half open: tussen zijn tanden, waarvan er drie van goud zijn, zit een stuk kauwgum. Omdat zijn adem niet naar alcohol mag ruiken.

De jarige officier kreeg van zijn vrienden een televisie. In Rusland geven de militairen elkaar hengels, jachtgeweren, rubberboten of samovars. In Bosnië is een tv het meest populaire verjaardagscadeau. Maar gewild zijn ook videorecorders, camera's, of pannen van het Oostenrijkse merk Zepter. Spullen die in Rusland niet te krijgen of voor militairen niet te betalen zijn.

Bijna alle Russische SFOR-militairen kopen van lokale handelaren een auto om mee te nemen naar Rusland. Vooral Audi's en BMW's.

Op patrouille

SFOR-kampen in Bosnië worden zorgvuldig afgescheiden van de buitenwereld, er staan hekken of hoge muren omheen, bezoekers kunnen alleen onder militaire begeleiding de basis op. Bij het Russische SFOR-kamp is dat niet zo. Er ligt een laagje prikkeldraad bij de ingang, maar de soldaat die op wacht staat laat iedereen door. Servische burgers lopen het kamp in en uit. Ze verkopen spullen, ze bezoeken het Russisch-orthodoxe kerkje op de basis, of ze gaan langs bij soldaten met wie ze bevriend zijn.

Er zijn ook Serviërs die op de basis wonen, in barakken aan de rand van het kamp. Zo'n vijftig Servische families die in de oorlog uit de omgeving van Sarajevo en Tuzla, in de Federatie, naar Ugljevik zijn gevlucht. De vluchtelingen krijgen van de Russen het eten dat overblijft in de kantine en als ze ziek zijn, worden ze behandeld in hun kliniek.

Op patrouilles door het gebied dat onder Russische verantwoordelijkheid valt, worden de militairen toegejuicht door de lokale Servische bevolking. In het deel dat bij de Federatie hoort, zwaaien alleen moslim-kinderen. De Russische militairen stoppen niet om met burgers te praten, zoals bijvoorbeeld de Duitse en Amerikaanse SFOR-soldaten op bijna iedere patrouille doen, om te horen of er problemen zijn en om de bevolkingsgroepen, in gebieden waar die nog of opnieuw bij elkaar wonen, dichter bij elkaar te brengen.

De Russen vinden dat onzin. Door hun patrouilles laten ze zien dat ze er zijn en dat vinden ze genoeg. Alleen als de militairen nadrukkelijk opdracht krijgen om te praten, doen ze dat. ,,Wij hebben onze priester'', zeggen ze. ,,Die praat met burgers.''

Maar met welke burgers praat vader Iosif? Met Servische. Hij zegt: ,,Zij zijn onze geloofsbroeders, de orthodoxe kerk is ondeelbaar.'' De priester vertelt dat hij Serviërs thuis opzoekt en `hun verdriet deelt' over echtgenoten, zonen of broers die zijn omgekomen in de oorlog tegen de moslims. Hij leidt ook religieuze ceremonies bij hun graven.

En of hij het als zijn taak ziet om, op deze vredesmissie, de haat wat te verminderen tussen Serviërs en moslims? Njet. ,,Waarom? Ik ben hier voor de Serviërs. De patriarch in Moskou, Aleksej II, wil niet dat wij in Bosnië iets met moslims te maken hebben. En praten met ze kan niet eens, ze zijn te radicaal.''

Maar ook de Servische broeders gedragen zich niet helemaal naar de zin van vader Iosif. ,,Ze zijn minder gedisciplineerd dan wij. Ik zie vrouwen met een spijkerbroek aan in de kerk, vrouwen die hun hoofd niet bedekken. Er zijn ook mensen die in de kerk roken, of vieze kleren dragen.'' Het is de invloed, zegt hij, van de katholieke kerk. ,,Die zit hier te dicht in de buurt.''

Commandant van de Russische brigade in Bosnië is kolonel Nikolaj Ignatov, een stevige man met kortgeknipt haar en een lok over zijn voorhoofd. Hij praat hard, gebruikt korte zinnen. ,,Wij maken geen enkel onderscheid'', zegt hij, ,,tussen Serviërs en moslims.''

Hij wacht even, zegt dan: ,,Natuurlijk is het zo dat Serviërs orthodox zijn. Zoals wij. Maar we gaan niet anders met hen om dan met moslims. Het is ook niet zo dat we proberen onszelf populair te maken bij moslims. Alleen maar omdat ze ons misschien wantrouwen. We doen ons werk en dat doen we goed.''

De kolonel glimlacht. ,,Misschien houden de Serviërs meer van ons omdat wij ons werk zo goed doen.'' Vinden de moslims in zijn gebied dat dan niet? De commandant maakt een afwerend gebaar met zijn hand, schudt zijn hoofd. ,,Dat heeft te maken met politiek, daar kan ik niets over zeggen.''

In de minderheid

In de herfst van 1996, een jaar na het eind van de oorlog, probeerden vijfendertig moslim-families terug te keren naar Gajevi, het dorp waar ze voor de oorlog hadden gewoond, nu Servische Republiek. Hun huizen waren beschadigd, maar stonden nog overeind. Twee dagen voordat ze zouden teruggaan, werden de huizen opgeblazen door lokale Serviërs. Ze schoten op moslims die al aan het werk waren in hun huis. Eén man werd gedood, een tweede raakte gewond. Gajevi ligt niet ver van de scheidslijn met de Federatie. Een grote groep woedende moslims trok vandaar naar Gajevi. Eenheden van het leger van de Servische Republiek kwamen uit hun kazernes.

Gajevi, en ook het deel van de Federatie in de buurt, valt onder verantwoordelijkheid van de Russische militairen. Maar die hadden zich teruggetrokken in hun kamp. Het waren Amerikaanse troepen die de Servische legereenheden tegenhielden.

De meeste moslims wilden toch per se terug. De VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR bouwde vijfentwintig noodwoningen voor ze. In het voorjaar van 1997 gingen ze opnieuw naar hun dorp. Maar opnieuw werden ze weggejaagd. Een groep van zo'n honderdvijftig gemaskerde Serviërs omsingelden hun huizen en staken die in brand. Russische SFOR-militairen stonden erbij, ze deden niets. Een woordvoerder van SFOR zei later dat niet was ingegrepen omdat de moslims al waren gevlucht, er waren geen mensenlevens in gevaar. De Russische commandant zei dat zijn soldaten onbewapend waren geweest, en ook nog eens veruit in de minderheid.

Deze week proberen twintig moslim-families het opnieuw. Hun huizen zijn weer opgebouwd. Muhidin Cosic (61), boer, is de eerste die terug is in Gajevi. Hij denkt dat de Serviërs hem deze keer met rust laten. ,,Ik heb er nog geen één bij mijn huis gezien.''

Maar veilig is het er nog niet. Drie maanden geleden werd in Gajevi een jongen van dertien, moslim, in zijn buik geschoten. Hij was met zijn vader en zijn broer aan het werk op het veld bij het huis waar ze naar terug zouden keren.

In Koraj, een Servisch dorp in de buurt van Gajevi, zitten op zondagmiddag zes Servische mannen in café Grill, een houten keet naast een verwoeste moskee. Ze zijn, zeggen ze, zelf vluchtelingen, uit midden-Bosnië. En zolang zij niet terug kunnen naar hun vroegere huizen, zullen ze iedere moslim wegjagen die probeert terug te gaan. ,,We maken die Turken met bijlen af'', schreeuwt een van hen. Een jongen naast hem grijnst en zegt: ,,Maar over Albanezen uit Kosovo doen we niet moeilijk. Die ene Albanees die het daar gaat overleven, mag hier nog wel komen wonen.''

Brigade-commandant Ignatov, die pas vorig jaar zomer naar Bosnië kwam, zegt dat hij niets weet van wat er in Gajevi is gebeurd. Hij kan zich niet voorstellen dat Russische militairen hebben staan toekijken hoe mensen uit hun huizen werden verdreven. Maar volgens kolonel Ignatov kan SFOR ook niet alles met geweld oplossen. ,,Het is veel belangrijker dat de hulp van de internationale gemeenschap eerlijk verdeeld wordt. Vorig jaar kreeg de Federatie tachtig procent, de Servische republiek maar twintig.''

De Russische commandant vindt dat het ook zijn taak is om de economische en sociale problemen van de Servische republiek onder de aandacht te brengen van hulporganisaties. Het belangrijkste verschil tussen de Russische brigade en de andere SFOR-eenheden is volgens de kolonel: ,,Wij voeren onze missie uit zonder geweld te gebruiken. Wij laten niet zien dat we bewapend zijn. Wij denken na voordat we iets doen.''

En als hij een bevel krijgt van de Amerikaanse generaal die de divisie leidt waar de Russische brigade onder valt? ,,Wij voeren de missie uit zoals in het Dayton-akkoord is afgesproken. Als wíj van mening zijn dat een opdracht daarmee in strijd is, voeren we die niet uit.''

De Amerikanen, zegt Ignatov, willen bijvoorbeeld dat de Russen bij de checkpoints auto's doorzoeken. ,,Maar wij vinden: SFOR is de politie niet. Wij doorzoeken geen auto's.''

Volgens Ignatov houden de andere SFOR-eenheden zich niet aan de `militaire regels'. ,,Als je samen een missie hebt, moet iedereen van alles op de hoogte zijn.'' Maar Rusland wordt niet geïnformeerd, laat staan geconsulteerd over belangrijke beslissingen. Ignatov: ,,Wij lazen in de krant dat SFOR een spoorlijn in het zuidoosten van Bosnië had verwoest.'' Die lijn, van Servië naar Montenegro, was een verbinding voor het transport van Miloševic' troepen. SFOR blies het deel dat door Bosnië loopt op, om de Navo te helpen bij de acties tegen Joegoslavië.

En: ,,Wij wisten niet dat SFOR in december van plan was generaal Krstic van het Bosnisch-Servische leger te arresteren.'' Krštic wordt beschuldigd van betrokkenheid bij de moord op zo'n zevenduizend moslims uit Srebrenica, in juli 1995. En wat hadden de Russen gedaan als ze wel op de hoogte waren geweest? ,,Dat doet er niet toe. Het gaat erom: als je samenwerkt, heb je geen geheimen voor elkaar.''

Erg grappig

Maar samengewerkt wordt er nu nauwelijks nog. Uit protest tegen de Navo-bombardementen op Joegoslavië vermijden de Russische SFOR-militairen, in opdracht van Moskou, zo veel mogelijk ieder contact met de Amerikanen in hun divisie. Ze gaan niet meer, zoals eerder wel gebeurde, samen op patrouille. Ze houden geen gezamenlijke schietoefeningen meer. Ze sporten niet meer met elkaar. En de Russen melden niet meer aan de divisie-commandant wat ze doen en wat niet.

Op de eerste dag van de bombardementen cirkelden drie Amerikaanse helikopters boven de Russische basis. ,,Ze vertrouwden ons niet'', zegt Aleksej Tarasov (20), kadet aan de militaire academie in Moskou. Op het kamp in Ugljevik is hij vertaler bij de sectie Inlichtingen. ,,En ik ben er zeker van dat ze ons ook nu nog met satellieten volgen.''

Aleksej Tarasov vindt dat de vroegere Sovjet-Unie nooit z'n troepen had moeten terugtrekken uit Oost-Europa. ,,Dan had de Navo dit niet durven doen.'' Volgens hem richt de Navo zich vooral op burgerdoelen. ,,Duizenden en duizenden Servische burgers zijn al gedood.'' En de Albanese slachtoffers? Tarasov grinnikt. ,,Dat is grappig ja, erg grappig. De Navo komt op voor de Albanezen, maar die sterven nu ook.''

Majoor Roeslan Pavlov (32) is plaatsvervangend commandant van de Russische basis bij het dorp Priboj, zo'n tien kilometer van het hoofdkwartier in Ugljevik. Op zaterdagmiddag zit hij op het terras voor de kantine van de basis. De zon schijnt, zijn mannen spelen volleybal op het plein.

De majoor zegt dat hij graag naar Kosovo zou gaan, als de Russen gaan meedoen aan een vredesmacht daar. Hij verwacht dat de Russische militairen dan, net als in Bosnië, verantwoordelijk zullen zijn voor de gebieden waar veel Serviërs wonen. ,,Uit de media heb ik begrepen dat de Joegoslavische bevolking onze hulp zoekt. Ik denk dat we erg welkom zullen zijn.''

Het Kosovo bevrijdingsleger UÇK zal zich misschien verzetten tegen de komst van Russische militairen in Kosovo, zegt de majoor. ,,Maar dat zijn radicale separatisten. Wat die doen kunnen, hangt af van de wapens en voorraden die ze krijgen uit het buitenland.''

Majoor Pavlov kan zich nauwelijks voorstellen dan het UÇK nog wordt gesteund door de Albanese bevolking van Kosovo. ,,De Albanese burgers hebben nu ook wel gezien en gevoeld hoe afschuwelijk die Navo-aanvallen zijn. Kinderen en zwangere vrouwen sterven, huizen van burgers worden platgebombardeerd.''

Hij zag de beelden van vluchtelingen in Macedonië en Albanië. Vreselijk, zegt hij. ,,Ze vluchten voor de Navo-bommen.''

En of hij hoorde over wreedheden door de Servische politie en het leger? Pavlov: ,,Misschien zijn er spanningen.''