Winkelhaak met vuurtorens

Ierland is eentweede vaderland voor de Friese kunstenaar Tjibbe Hooghiemstra. En de gevangenis daar is zijn inspiratiebron.

Het liefst tekent hij op de door vochtplekken en vetvlekken aangetaste achterkanten van oude zeekaarten. Of op andere, eerder gebruikte stukken papier, zoals gravures of kalenderbladen waarvan de beelden en letters soms tot in de rugzijde zijn doorgedrukt en dan in de composities van Tjibbe Hooghiemstra worden opgenomen. Met nieuw papier, zegt hij, heeft hij niks, het is hem te moeilijk, te strak, te egaal en te mooi: ,,Van een nieuw schetsboek krijg ik geen zin in tekenen.''

In zijn atelier, enkele vertrekken in een verlaten zuivelfabriek in het Friese Giekerk (Gytsjerk), wijst hij op een aantal plastic vuilniszakken in een hoek, waarin grote papierrollen: ,,Oude kaarten die jarenlang op de zolder van een vissersfamilie hebben gelegen. Het gevoel dat die dingen de halve wereld rond zijn geweest is voor mij belangrijk, ook al zie je de kaarten zelf op een ingelijste tekening nooit meer terug.''

Met krijt, potlood, grafiet, inkt en soms teer maakt hij zijn abstract ogende composities die echter vrijwel altijd tekens en symbolen uit zijn dagelijks leven bevatten, aanwijzingen van wat hij gezien en beleefd heeft. Vegen, spatten, krassen, strepen, vlekken, mijmeringen in bedachtzame kleurovergangen, soms ook op pakpapier. Hooghiemstra's werk, getekende gedichten, maar wel in rijmloze strofen, was dit voorjaar te zien op een overzichtstentoonstelling in het Cobramuseum in Amstelveen en zal begin juni op de Kunst-RAI in Amsterdam worden getoond. Ook in de Haagse galerie Nouvelle Images is hij in een groepstentoonstelling vertegenwoordigd.

Do-Time heet de serie op de Kunst-RAI, dat betekent zitten, maar dan wel `zitten' in de gevangenis. Ze zijn gebaseerd op Hooghiemstra's ervaringen in de zwaarbewaakte Ierse Port Laoise Prison waar hij de afgelopen vijf jaar tekenlessen gaf aan kleine groepjes gevangenen, IRA-strijders en criminelen, onder wie, zegt hij, soms opmerkelijke talenten zaten. Voor wie deze achtergrond kent zijn in de composities allerlei naar het gevang verwijzende details te herkennen. De plattegrond van het complex bijvoorbeeld met zijn markante uitsteeksels van de wachttorens wordt in allerlei varianten opgevoerd, de tralies, er schemeren woorden door zoals I-block, of de cijfers 4.0, hetgeen slaat op de veertig jaar die sommige van zijn leerlingen bezig waren te ondergaan. Ook de vormen van een lelie, een Iers vrijheidssymbool, slopen binnen, de letter P.L., de afkorting van de naam van de gevangenis.

In zo'n Ierse strafinrichting worden maar hoogst zelden vreemdelingen toegelaten, zeker geen buitenlandse vreemdelingen.

Tjibbe Hooghiemstra (42) is een dergelijke uitzondering omdat hij al heel lang een zo hechte band met Ierland heeft dat hij het als zijn tweede vaderland is gaan beschouwen. De Ieren weten dat, kennen zijn werk en waarderen het. Enkele malen per jaar reist hij er heen.

Al op de middelbare school, zegt hij, is die voorliefde ontstaan. Hij voelde zich aangetrokken door foto's van de ruige natuur en verhalen van een leraar over de easy-going omgang met elkaar van de plaatselijke bevolking in vooral de kleinere dorpen. ,,Ik had het gevoel van daar moet ik heen. In die tijd kreeg ik een boekje in handen van de Ierse naïef James Dixon met tekeningen van het eilandje Tory ten noordwesten van Ierland. Daar ben ik toen heengegaan, op het laatst anderhalf uur varen in een klein bootje. Ik kwam terecht in een wereld van vijftig jaar geleden. Toen ik aankwam leek het alsof de hele bevolking op de kade stond om mij te verwelkomen en mijn bagage aan te pakken.''

Vuurtorens

Sindsdien reist Hooghiemstra een keer of drie, vier per jaar naar Ierland, vooral naar zijn favoriete plekken aan de westkust en de eilandjes in die buurt. Hij kent er de mensen, de mensen kennen hem, hij vindt er altijd wel ergens onderdak om te werken en te wonen.

De eerste keer bleef hij er zelfs drie maanden in een met een beeldhouwer geruild atelier in een oude bibliotheek in Cork. Hij zegt er zich onmiddellijk thuis te hebben gevoeld tussen mensen die echt in elkaar en ook in hem waren geïnteresseerd: ,,Binnen twee dagen had ik er meer vrienden dan thuis, ook doordat in de bibliotheek meer kunstenaars hun ateliers hadden. Als ik niet getrouwd was geweest was ik er gebleven.''

Later in het gesprek komt aan de orde dat hij met zijn vrouw inderdaad heeft overwogen naar Ierland te emigreren, maar toch voor deze stap te zijn teruggeschrokken uit angst voor heimwee naar Friesland. Maar wel blijft het tweede vaderland altijd vlak achter de hand. Zoals gezegd spreekt zijn werk de Ieren aan, ze kochten een serie tekeningen aan voor de National Collection of Contemporary Drawing, onderdeel van de City Gallery of Art in Limerick. Met enige regelmaat heeft hij er ook tentoonstellingen. Een van zijn recente langdurige bezoeken bracht hem naar het Rathlin-eiland, een eiland in de vorm van een winkelhaak met drie vuurtorens. ,,Ik ben gek op vuurtorens. Een paar jaar geleden heb ik een boek over alle vuurtorens van Friesland gemaakt. Het is jammer genoeg nooit uitgegeven.'' Een andere liefde geldt boten, bijvoorbeeld die van het eiland Irisheer, boten bestaande uit een latwerkgeraamte met daaroverheen gespannen en geteerd jute: ,,Daar gaan ze de oceanen mee op om te vissen.''

Hij maakte er kennis met een man wiens twee zoons in zo'n door hun vader gebouwde boot vergingen en verdronken. Hooghiemstra maakte rondom dit drama een boek met een serie tekeningen, foto's en collages, die werden samengevat in een boek dat wordt ingeleid door een gedicht van zijn hand met als eerste strofe:

For the boy I once knew

movable currach

The boat their father built

tar and canvas.

Poems for Eire is een prachtig boek, gevuld met een poëtisch vormgegeven verdriet dat misschien troostend zou werken voor de ongelukkige vader aan wie het is opgedragen. Tot dusver heeft Hooghiemstra het nog niet aangedurfd hem het boek metterdaad te geven.

Een andere belangrijke ontmoeting was die met de schilder Brian Maguire die een van de vrienden werd. Maguire had een onderwijsprogramma opgesteld voor gevangenissen en gaf zelf al een jaar of tien les aan gevangenen. Hij wist Hooghiemstra voor dit werk te interesseren: ,,Ik ben toen een half jaar lang van onder tot boven gescreend en mocht toen naar binnen met mijn eigen programma. Werk en catalogi mocht ik meenemen, maar het onderwijs moest beperkt blijven tot werken op papier. Schilderen was verboden omdat daar linnen en spieramen aan te pas komen, hetgeen strijdig met de security werd geacht. In de spieramen zou van alles verstopt kunnen worden.''

Zelfmoordnetten

Hooghiemstra beschrijft het gevangeniscomplex. Rondom antitankgrachten, binnen was verkeer slechts mogelijk via een stelsel van twaalf sluizen, dus voortdurend een gesloten deur voor of achter je en altijd iemand bij je. In het centrum van het complex drie lagen met cellen met tussen de verdiepingen netten om zelfmoorden te verhinderen. De drie verdiepingen met hun cellengalerijen huisvesten drie streng van elkaar gescheiden soorten delinquenten, waartussen, zegt hij, grote verschillen bestonden.

In de bovenste laag zaten de IRA-gevangenen opgesloten, in de middelste leden van de Provisional IRA, helemaal beneden de gewone criminelen. Om de onderlinge animositeit niet te vergroten (ook de gewone en de Provisional IRA waren bereid elkaar de hersens in te slaan) moesten alle drie de groepen gelegenheid worden geboden de tekenlessen bij te wonen. 's Morgens, 's middags en 's avonds werd er getekend in leegstaande cellen.

Hooghiemstra zegt het liefst te werken met de IRA-leden: ,,Ik kreeg respect voor de bezetenheid van hun overtuiging. Ik weet dat ik nu aan een lastig deel van mijn verhaal toekom. Ze waren veroordeeld voor bijvoorbeeld bomaanslagen op onschuldige mensen. Toch begreep ik hun overgave aan een idee. Het is net zoiets als ik heb met mijn werk, daar ben ik ook dag en nacht mee bezig. Zoiets hadden zij ook, daardoor had ik contact met ze, veel meer dan met de criminelen beneden.''

Hij vertelt over de eerste keer dat hij in de gevangenis kwam en in gesprek raakte met een van zijn IRA-leerlingen: ,,Ik vroeg hem hoe lang hij al tekende. Twaalf jaar, zei hij, net zo lang als ik hier zit. Ik vroeg hem hoe lang hij nog moest blijven. 28 jaar! Hij was van mijn leeftijd, ik dacht dat ik door de grond ging. Veertig jaar! Dat slaat toch nergens op.''

Hooghiemstra's vervreemding werd nog groter toen hij hoorde dat die veroordeelde ook bezig was met een cursus spreken in het openbaar.

Toch bleek dat laatste minder gek te zijn dan het op het eerste gezicht lijkt. Hooghiemstra merkte al snel dat IRA-gevangenen nauwkeurig op de hoogte waren met de politieke ontwikkeling buiten de gevangenismuren, dat zij er zelfs nog steeds leiding aan gaven. ,,Ze wisten dat ze hun hele straf waarschijnlijk niet zouden hoeven uitzitten.''

Dat is inderdaad gebeurd: ,,Ze hebben me in de gevangenis gevraagd voor een nieuw project van een aantal weken. Daar zit ik erg mee. De meeste IRA-gevangenen zijn nu weg en dan blijft er weinig kwaliteit over.''

Anderzijds weet hij dat uit de moeilijkste omstandigheden de meest intense kunst kan ontstaan. Op zijn minst één van zijn criminele leerlingen bleek zich na zijn vrijlating tot een gevestigd kunstenaar te hebben ontwikkeld.

De gevangenis werd voor Tjibbe Hooghiemstra een dwingende bron van inspiratie: ,,Ik moet een duidelijke reden hebben om kunst te maken. Een schilderij is de waarheid. Je moet sterke aanleidingen hebben die in je borrelen en borrelen, en er dan uitkomen.''

Hij herhaalt dat zijn werk te maken heeft met wat hij ziet en meemaakt en wat er met de mensen om hem heen gebeurt. Met een atmosfeer, met een bootje dat je ziet. Of met de constatering dat er op het eiland Tory vrijwel geen bloemen zijn. Dat resulteerde in een serie Flowers van Tory, een serie over imaginaire bloemen die wél op Tory groeien.

Tjibbe Hooghiemstra werd opgeleid aan de akademie Minerva in Groningen. Hij volgde er twee opleidingen, schilderen en ruimtelijk werk. Nog steeds is hij ook met ruimtelijke constructies met beelden bezig.

De eerste tentoonstelling die ik een jaar of tien geleden van hem zag in het kerkje van het Friese dorp Britswerd omvatte inderdaad veel beelden waarvan een deel dit voorjaar in Amstelveen weerkeerde. Het zijn ijle constructies, een soort snelle schetsen in de ruimte. Bijvoorbeeld een uit heel dun ijzerdraad geknoopte vorm die een combinatie zou kunnen zijn van een fiets en een vlinder. Het voorwerp is zo licht dat het in elk tochtje als een mobile gaat werken. Of een zwaarder object: zes lepels die als een soort heksenkring uit een stuk hout steken. Ook zwaarder draad in een in U-vorm gebogen ladder, bijeengehouden door takken met verdroogde bladeren. Hij maakte voorts tafelachtige constructies met brokken glas als bladeren.

De beelden zijn driedimensionale tekeningen die in het platte vlak, op tekeningen en schilderijen, nader worden uitgewerkt. Soms doen ze denken aan minimal art en nul-kunst maar al snel blijkt dat het heftige betoog in genoemde stromingen in het werk van Hooghiemstra ontbreekt. Ze hebben geen enkele beschimpende bedoeling, integendeel, het zijn kwetsbare, in zichzelf gekeerde voorstellingen, gestolde gedachtenspinsels van een dromer die geen weet wil hebben van de waan van de dag.

Het werk van Tjibbe Hooghiemstra laat zien wat hem bezighield, hoe hij dat verwerkte en tenslotte op papier of met ijzerdraad weer uitzweette. In de resultaten blijven slechts de symbolen en aanduidingen van de oorspronkelijke uitgangspunten over. Die kunnen `gelezen' worden maar dat hoeft niet. Het werk heeft in zijn samenwerking tussen strepen en vlekken, kleuren en lijnen zijn eigen poëtische waarde.

Do-Time, tekeningen van Tjibbe Hooghiemstra, 1-6 juni op de Kunst-RAI, Amsterdam in stand 58 van Galerie Rob de Vries. Ook tot 10 juni in Galerie Nouvelles Images, Westeinde 22, Den Haag. Di t/m za van 11-17u.