Uurwerk in oertijd

De uitvinding van een tijdmachine is de droom van elke paleontoloog. Met een druk op de knop reis je naar de prehistorie, en in plaats van het te moeten doen met een paar botten, kan de wetenschapper in levenden lijve de eohippus, de voorloper van het paard, of de diatryma, een kleurige reuzenvogel, aanschouwen.

In Het leisteenskelet heeft de miskende paleontoloog Sonnenberg bij toeval een grot in Slowakije ontdekt die hem toegang verschaft tot de oertijd. Hij heeft zijn geheim verklapt aan Tobias, een leergierige biologiestudent. Die weet zijn oude jeugdvriend en keverdeskundige Micha over te halen om met hem mee te gaan op reis. Beide jongens waren al op vroege leeftijd sauriërfiel en verslaafd aan films als Godzilla en King Kong. Claudia, botanica en een vriendin van Micha, achtervolgt de jongens en gaat met hen mee de grot in. Terwijl het drietal vol verbazing de wonderlijke fauna en flora van het Tertiair binnenstapt, voltrekken zich intussen vreemde zaken in de wereld van de wetenschap. Fossielen verdwijnen zomaar, en professor Helmut Axt doet een merkwaardige vondst: in een leisteengroeve vindt hij een mensenskelet dat vijftig miljoen jaar oud is en een polshorloge draagt. De vondst stelt Axt voor een raadsel: de oudste homo sapiens is volgens de wetenschap immers hooguit honderdvijftigduizend jaar oud. Axt ontmoet op een dag Sonnenberg en wanneer deze hem van de grot vertelt, begint hij te vermoeden dat iemand probeert de evolutie te beïnvloeden.

Bernhard Kegel, gepromoveerd in de biologie, heeft zijn wetenschappelijke jongensdroom, een reisje naar de oertijd, op papier gezet. Een groot dromer is echter nog geen groot schrijver. Stilistisch is er aan dit boek niet zo veel te beleven; het is een rechttoe-rechtaan vertelling, waar monden `open vallen van verbazing', mensen `huilen van verdriet' en de lezer steeds ruim op tijd wordt gewaarschuwd voor een verrassing: `En toén gebeurde het!' Gelukkig is de plot intrigerend en zijn de wetenschappelijke uitweidingen boeiend en toegankelijk. Na het lezen van Het leisteenskelet staat één ding vast: Darwin had het mis. Soorten sterven uit door grote rampen, en niet omdat zij zich niet goed aan zouden kunnen passen. Niets survival of the fittest. In werkelijkheid gaat het in de evolutie om survival of the luckiest. Kegel komt met een eenvoudige vergelijking. Stel dat er een flatgebouw in brand staat. Niet de slimsten of de sterksten overleven, maar zij die toevallig op de onderste verdieping wonen of sigaretten gingen halen.

Het leisteenskelet doet door de combinatie van de lessen in het darwinisme en een spannend verhaal denken aan Tijs Goldschmidts Darwins hofvijver. Met dit verschil dat Kegel in het nawoord haarfijn uitlegt welke delen van zijn roman tot de fictie gerekend kunnen worden en welke tot de wetenschappelijke feiten. Dat is jammer. Want Het leisteenskelet had mij zojuist overtuigd van het hoge science-fictiongehalte van de paleontologie, en van de verbeeldingskracht die iedere paleontoloog moet hebben om zich voorstellingen van het verleden te kunnen maken. Nu kan de ondertitel `roman' beter worden vervangen door `een spannende biologieles met een hoog entertainment gehalte'.

Bernhard Kegel: Het leisteenskelet. Een reis in de tijd. Uit het Duits vertaald door Dieneke Bijlsma.

Wereldbibliotheek, 384 blz. ƒ49,50