Onverstand was allerwegen

Het was een mooie voorjaarsdag. Zon, helder, schapenwolken en een fris windje. Ik liep in Rotterdam, in het park tussen de Kunsthal en Boijmans-van Beuningen, en keek om me heen. Mooi park, met beelden her en der in het gras. In een populierenlaantje bewogen de hoge bomen langzaam heen en weer. Ruisgeluiden. Halverwege de laan stond in het gras een vierkante stenen zuil, waarop een portret bleek te zijn aangebracht, in brons, in reliëf – of hoe zeg je dat. Het bleek het hoofd te zijn van de Rotterdamse dichter J.H. Leopold (1865-1925).

Onder zijn hoofd stond zijn naam en daaronder een tekst, in kapitalen. Het leek mij aanvankelijk koeterwaals, dan wel monumententaal, van het type zeeslangenproza dat ook het Nationale Monument op de Dam siert. `Ik scheidde onverstand was allerwegen' stond er bijvoorbeeld, en `de dwazen honderd dingen nooit beseft'. Misschien was het wel een onvoltooid gebleven gedicht, en aldus een eerbetoon aan de dichter van `o rijkdom van het onvoltooide'. Of had de letterbeitelaar bij het letterbeitelen gewoon niet goed op het briefje gekeken?

Pas na veel turen, bevoelen, hardop opzeggen, zelf leestekens aanbrengen en vrij interpreteren ontstond er een min of meer coherent kwatrijn. Zo bevestigde ook dit kleine monument voor een groot dichter weer eens het algemene beeld van dichters als warrige ratelaars, te beroerd om hun komma's op de juiste plaats te zetten. Terwijl het, zo bleek mij later, om een wel degelijk voltooid en tot in de puntjes verzorgd gedicht ging – een mooi hard en wrang gedicht bovendien. Graag was ik nog even teruggegaan met een schuursponsje (om de mossige aanslag op enkele leestekens weg te borstelen), een potje verf (om enkele wel gebeitelde, maar niet meegeschilderde leestekens alsnog aan te stippen) en een steenbeiteltje (om enige vergeten interpunctie aan te brengen), zodat er duidelijk leesbaar dit zou komen te staan:

Ik scheidde; onverstand was allerwegen,

van al mijn parels werd niet één geregen.

De dwazen! honderd dingen, nooit beseft

en nooit bereikt, zijn in mij doodgezwegen.

Eerste gedachte bij het lezen: dit lijkt wel het afscheidsvers van een leraar die niet langer bereid is het `onverstand' van zijn leerlingen (`de dwazen') te bestrijden. Het is een lezing die is ingegeven door de wetenschap dat Leopold, gepromoveerd classicus, enkele keren voor een hoogleraarspost gepasseerd is, tot zijn grote teleurstelling. Ook zijn loopbaan als leraar klassieke talen (aan het Gymnasium Erasmianum in Rotterdam) verliep niet geheel zonder problemen: uiteindelijk moest hij de school vroegtijdig verlaten. Zo gelezen zou `Ik scheidde' hier dan betekenen, met een anachronisme: `ik ging met de vut.'

Tweede gedachte: dit is geen vuttersvers, maar een veel existentiëler afscheidsgedicht. Hier wordt de wereld de rug toegekeerd, door iemand die zich over het begrip van die wereld geen illusies meer maakt. In Leopolds bundel Verzen (1914) was dit kwatrijn het laatste gedicht, en daardoor heeft het in de loop der tijd een zekere symbolische functie gekregen: alsof dit ook meteen het laatste woord van de dichter was. Zo werd het al bijna vanzelf een, al dan niet door de dichter zo bedoeld vroegtijdig grafschrift, geschikt voor de eigen zerk – of voor een later op te richten Leopold-monument.

In werkelijkheid was Leopold pas een jaar of 45 toen hij deze regels schreef en publiceerde, in 1911. Hij was toen nog lang niet vervroegd uitgetreden en ook nog helemaal niet uitgeschreven en het zou nog heel wat jaren duren voordat hij zou overlijden, in 1925. En, nog merkwaardiger: deze voor Leopold zo karakteristieke woorden zijn helemaal niet van hemzelf. Ze zijn vertaald uit het Engels: `I passed away, while men to folly clung,/ And of my precious pearls not one was strung;/ Ah fools! there died with me a thousand truths / Which never have been told and never sung.' Er is van dezelfde tekst ook een Duitse versie, waarvan we weten dat Leopold die bij de hand gehad moet hebben. Beide kwatrijnen zijn op hun beurt ook weer vertalingen, en wel uit het Perzisch. Wat we in het Rotterdamse Museumpark op een zuiltje lezen, voorzover we het tenminste kúnnen lezen, is geen grimmige verzuchting van J.H. Leopold, maar een ongeveer tien eeuwen oude klacht van Omar Khayyam.

Wie deze achtergronden kent, zal niet zo gauw geneigd zijn nog aan vuttersthematiek te denken. `Ik scheidde' is de vertaling van `I passed away' danwel `Ich geh' dahin': dit is een gedicht van gene zijde, van na de dood, uitgesproken door iemand die afscheid heeft genomen van het leven. Van het `doodzwijgen' in de slotregel van Leopolds kwatrijn mogen we nu wel aannemen dat het niet figuurlijk is bedoeld (`ongenoemd laten') maar tamelijk letterlijk: `door het intreden van de dood noodgedwongen onuitgesproken gebleven.' Dit zijn argumenten voor een duiding van het kwatrijn als grafschrift. Maar daar staat dan weer tegenover dat Leopold niet zelf heeft verzonnen zijn reeks Khayyam-kwatrijnen in zijn bundel Verzen met dit kwatrijn te besluiten: daarin volgde hij eenvoudigweg zijn Duitse bron, zo weten we nu.

Het zijn overwegingen die het moeilijk maken dit gedicht te duiden. Zijn dit regels van een verbitterde, hooghartige eenling? Zo ja, dan dragen ze bij aan het toch al zo hardnekkige beeld van Leopold als vereenzaamde somberling die zich in de loop van zijn leven steeds meer afsloot voor de omgang met zijn medemensen. Toch is er ook een andere Leopold, open en opgetogen, met gevoel voor humor, overal in zijn poëzie te vinden, tot in zijn laatste werk. Het is een tweespalt die hij misschien wel met iedereen gemeen heeft – in ieder geval met de dichter die hij hier indirect vertaalde: Omar Khayyam, die zich nu weer eens als een moslim met hang naar het mystieke voordoet, dan weer als een sceptische levensgenieter.

Beiden zouden vast wel hebben kunnen grinniken om de self-fulfilling prophecy die zich op het Leopold-monument voltrok: een parel van een gedicht, waarin wordt geklaagd over het ongeregen blijven van parels, blijft door slechte typografie, mosvorming, achterstallig onderhoud en onverstand zelf ongeregen. Of om deze merkwaardige gang van zaken: rond het jaar 1100 ergens in Perzië klagen over het onuitgesproken blijven van allerlei waarheden, maar bijna een millennium later is die klacht nog altijd, zij het in licht verminkte vorm, te lezen, op een zuiltje, ergens in een hogebomenlaantje in een Rotterdams rosarium.