Onder het tapijt geveegd

Op bezoek in het `exil-dorp' in Botswana waar Bessie Head het grootste deel van haar oeuvre schreef.

,,Geen liefde, geen familie, geen wortels.'' Cassim Kikia heeft maar een paar woorden nodig om de tragiek van Bessie Head te beschrijven. Hij zit in het stoffige kantoortje achterin zijn winkel in Serowe, een langgerekt dorp in het zuid-westen van Botswana, zo'n vier uur rijden van de hoofdstad Gaborone. Buiten slaan jongens stukken blikijzer tot emmers en teilen. Aan de overkant worden blokken ijs verkocht. Een paar koeien lopen traag en snuivend langs de zanderige berm.

Hier, in dit verloren dorp aan de rand van de Kalahari-woestijn, schreef Bessie Head (1937-1986) bijna haar hele oeuvre: vijf romans, twee verhalenbundels, een geschiedenis van Serowe, journalistiek en autobiografisch werk en duizenden brieven. Het Khama III Memorial Museum, een koloniaal handelshuis uit 1910, herbergt de Bessie Head Papers: manuscripten, typoscripten, notitieboekjes, foto's, brieven. Alle originelen zitten in keurige dozen, opgeslagen naast het familie-archief van Khama III, de negentiende-eeuwse traditionele leider voor wie Bessie diep respect koesterde en over wie ze de roman A Bewitched Crossroad (1984) schreef, haar laatste boek.

Patricia Bannalotlhe beheert de Bessie Head Papers en kent inmiddels elke snipper. ,,That lady kon werken!'', zegt ze hoofdschuddend. ,,Zodra ze een brief ontving, schreef ze staande naast het postloket onmiddellijk een brief terug.'' Zelf heeft ze Bessie nooit gekend. De directeur van het museum, Scobie Lekhutile, wel. Hij groeide samen met Bessie's zoon Howard op. ,,Ik herinner me dat de dorpelingen zeiden: `Mma-Head is een beetje vreemd. Ze vat alles ernstig op.'' Bessie verwachtte een paradijs te vinden in Serowe, zegt hij. ,,Maar ze vergat dat je hier ook discriminatie hebt, en klasseverschillen. Bovendien was Botswana men's country, zeker toen, terwijl Bessie met mannen wilde omgaan als gelijken.''

Cassim Kikia was een uitzondering, zeggen de twee Head-kenners. Meer nog, hij was `als een broer' voor Bessie. Cassim schuift op zijn stoel en glimlacht. Hij is een gezette Indiër van achterin de zestig. Achter zijn bril gaan twee levendige donkere ogen schuil. ,,We begrepen elkaar'', zegt hij. ,,We kwamen uit dezelfde omstandigheden. In 1964 ben ik Zuid-Afrika ontvlucht, net als Bessie. We kwamen rond dezelfde tijd in Serowe aan.''

Dat niet alleen. Ook Cassim had geen ouders en groeide op in kindertehuizen en gastgezinnen. ,,Nooit liefde gehad.'' Maar Cassim trouwde tenslotte op zijn achtenveertigste en heeft nu vier kinderen. ,,Bessie had niemand behalve haar zoon. En aan hem is ze bijna doodgegaan.''

Hij herinnert zich nog dat Bessie een keer de winkel binnenschuifelde en schuchter vroeg of ze misschien wat geld kon lenen. ,,Ze werkte keihard en had nooit een cent.'' De winkel lag naast het postkantoor. Daar deed zich op een dag in 1971 een scène voor die het dorp nog lang zou heugen. Op het muurtje met publieke aankondigingen prikte Bessie een notitie waarin ze de Botswaanse president Seretse Khama van moord op de vice-president en van incest met zijn dochter beschuldigde. Het waren krankzinnige aantijgingen en nog dezelfde dag werd ze door de politie opgehaald en voor de rechter gebracht. Deze liet Bessie, die raaskalde over de president die tegelijk God en de Duivel zou zijn, ogenblikkelijk naar het ziekenhuis brengen. Vier maanden bleef ze op een psychiatrische afdeling.

Cassim: ,,Het wonderbaarlijke aan Bessie was dat ze op de dag dat ze uit het ziekenhuis werd ontslagen, achter haar typemachine ging zitten en de waanzin produktief maakte. Als ze ging zitten en schrijven, was het alsof haar geest open ging.'' Head's derde roman, A Question of Power (1973) was het directe resultaat van die zwaarste crisis in haar leven.

Waanzin

Wie Bessie Head's voorgeschiedenis kent, begrijpt meer van de plotselinge waanzin die haar kon bevangen. Begrijpt meer ook van haar complexe werk, waarin liefde voor de eenvoudige, moreel-hoogstaande mens centraal staat.

Ze werd als Bessie Emery geboren in Pietermaritzburg, in de Zuid-Afrikaanse provincie KwaZulu-Natal. Haar moeder was een blanke vrouw die door de plotselinge dood van haar eerste kind en de daarop volgende scheiding van haar echtgenoot in geestelijke nood raakte. Ze werd zwanger van een onbekende zwarte man en beviel van Bessie in een inrichting, waar ze enkele jaren later overleed.

Bessie werd door de familie van haar moeder ogenblikkelijk ter adoptie aangeboden. Ze kwam terecht bij een kleurling-gezin in een van de armste delen van de stad. Op haar dertiende werd ze naar een Anglicaanse missieschool in Durban gestuurd, waar een missionaris haar op een dag plompverloren meldde dat haar moeder haar moeder niet was, dat haar echte moeder `gek' was en haar vader een `inboorling'.

In 1982, op haar vijfenveertigte, schreef Bessie over haar afkomst: `Ermoeten veel mensen zoals ik zijn in Zuid-Afrika (-), het soort persoon dat het lijk in de kast is, of het donkere en beangstigende geheim dat onder het tapijt wordt geveegd.'

Na de missieschool en het behalen van een onderwijzerscertificaat stapte Bessie op de trein naar Kaapstad met het plan journaliste te worden. Ze kwam terecht bij de populaire krant Golden City Post, die haar een jaar later een vaste baan aanbood in Johannesburg.

Halfbloed

Daar ontmoette ze journalisten van het roemruchte tijdschrift Drum en had ze voor het eerst van haar leven het gevoel dat ze tussen vrienden was. Een van hen bracht haar in contact met de PAC, het Pan Afrikanistisch Congres, dat anders dan het ANC de nadruk legde op het Afrikaanse (zwarte) karakter van de strijd tegen de apartheid en blanke leden uitsloot van haar organisatie. De partij besloot dat kleurlingen wel onder de noemer `Afrikaans' vielen. Dat laatste was van groot belang voor Bessie, met haar diepe verlangen ergens thuis te horen, niet telkens de `halfbloed' te zijn, zonder aanspraak op een traditie of cultuur. Ze werd lid van het PAC, stortte zich in acties en demonstraties. Maar het oplopende geweld dat gebruikt werd tegen demonstranten, met het bloedbad van Sharpeville in 1960 als dieptepunt, schokte Bessie diep. Tijdens een van de acties werd ze gearresteerd en beschuldigd van medewerking aan een verboden organisatie. Door staatsgetuige te worden, kwam ze vrij. Welke informatie Bessie gaf is nooit opgehelderd. Een maand later deed ze een zelfmoordpoging.

Ze verloor haar baan bij de krant en keerde gedeprimeerd terug naar Kaapstad. Een jaar voor haar vlucht uit Zuid-Afrika schreef ze: `Iemand zei laatst minachtend tegen me dat ik geen vrijheidsstrijder ben. Ik moet toegeven dat het de waarheid is. Ik heb me nooit aangesloten bij geldinzamelingsacties want ik kan niet om geld vragen. Ik heb nooit betaald op geldinzamelingsfeestjes want ik was altijd platzak en toch dronk ik altijd zoveel wijn als ik kon en praatte zo luid als ik kon en maakte ruzie met de aanwezige blanken.'

In 1961 trouwde Bessie met de journalist en activist Harold Head. Het was een huwelijk dat meer uit omstandigheden dan uit grote liefde voortkwam. Een jaar later werd hun zoon Howard geboren. Bessie begon aan haar roman The Cardinals (postuum verschenen in 1993), die ze situeerde in haar eigen buurt, de kleurlingenwijk District Six. Bessie ergerde zich aan het gebrek aan verzet van de kleurlingengemeenschap en zag met lede ogen hoezeer de bewoners vastzaten in een cirkel van armoede, passiviteit en dronkenschap. De toenemende repressieve atmosfeer van Zuid-Afrika verlamde haar als schrijfster. Ze noteert: `Als ik op een dag echt ga schrijven, zou ik alleen maar willen zeggen: mensen zijn mensen en niet damn White, damn Black.' Zestien jaar later zou ze schrijven: `Ik vond de Zuid-Afrikaanse situatie zo misdadig dat het voor mij onmogelijk was om er mee om te gaan, creatief gezien.'

In 1964 wilde Bessie het land uit. Haar huwelijk was niet meer te lijmenen ze had gelezen dat Botswana onderwijzers nodig had. Een paspoort werd haar geweigerd. Uiteindelijk mocht ze vertrekken op een `exit-permit' dat haar verbood ooit naar Zuid-Afrika terug te keren.

,,Hier was niets!'', roept Cassim uit als hij vertelt hoe het was, Seroweanno 1964. ,,Een uitgestrekt stuk land met alleen maar hutten. Geen wegen, geen winkels. Als je tomaten wilde hebben, moest je ze zelf verbouwen.'' Voor Bessie die haar leven lang in overbevolkte stadswijken had gewoond, was de overgang enorm. Ze kreeg een aanstelling op de lagere school. In de stroom scherpe en ontroerende brieven aan vrienden in Zuid-Afrika en Engeland die vanaf dat moment op gang kwam, drukt ze haar verbazing uit over de vijandige houding van de dorpelingen. Aan haar trouwe vriend Randolph Vigne in Londen schreef ze: `B. Head, grote pan-Afrikanist op een zeepkist, heeft een vervloekte klim naar beneden gemaakt. Altijd gezegd dat mensen mensen zijn maar nooit gepraktizeerd wat ik preekte. Al dat Afrika-mijn-Afrika zwarte mensen kunnen wreder zijn dan veel andere mensen omdat we zoveel missen en zoveel willen.'

Binnen anderhalf jaar had Bessie slaande ruzie op school. Ze had geweigerd in te gaan op de avances van het schoolhoofd en deze had haar vernederd haar voor haar klas. Toen hij haar arm wilde omdraaien, beet Bessie ziedend in z'n hand.

De schooldirectie eiste een onderzoek naar haar geestelijke gezondheid. Bessie nam ontslag. Vanaf dat moment leefde ze van haar pen.

Het was een leven van eenzaamheid en armoede. Voortdurend maakte ze plannen om het land te verlaten. Toch vond ze langzaam haar draai in het dorp. Ze deed mee aan een landbouwproject, verbouwde haar eigen groenten en schreef. Van de opbrengst van haar eerste roman, When rain clouds gather (1968), bouwde ze een klein huis aan de rand van het dorp, zonder elektriciteit of stromend water. Hoofdpersoon in haar debuut is een jonge Zuid-Afrikaanse vrijheidsstrijder die naar Botswana vlucht. Hij heeft twijfels over de gewelddadigheid van de vrijheidsstrijd en kiest ervoor om in de luwte van Afrika, op een stuk onontgonnen land, een landbouwproject te beginnen. Op vergelijkbare wijze kiest Maru, de titelheld van Bessie Head's tweede roman (Maru, 1971) ervoor om een vrouw te trouwen die voor zijn status (hij is de troonopvolger in zijn stam) meer dan minderwaardig is. Zij is een Bosjesman en de lichtgekleurde Bosjesmannen worden naar stamgewoonte gebruikt als slaven. De consequentie van Maru's keuze is een leven in afzondering, ontdaan van alle macht en aanzien.

Bessie, zelf een slachtoffer van onderdrukking, identificeerde zich sterk met de Bosjesmannen in Botswana. Het schokte haar dat ook Afrikanen discrimineerden. Tijdens depressies beschuldigde ze de dorpelingen ervan dat ze haar minachtten om haar kleur. `Voor Afrikanen ben ik een Bosjesman, vuil, besmet, halfbloed,' schreef ze bitter in 1970, beseffend dat ze altijd een buitenstaander zou blijven.

Krachttoer

De worsteling met haar identiteit en haar ervaringen in Zuid-Afrika leidde tot de diepe crisis in 1971, die ze verwerkte in haar roman A Question of Power. Het boek is een krachttoer in het beschrijven van geestelijk lijden en bij vlagen onleesbaar voor de oningewijde in het Head-universum. Aan een Amerikaanse dichteres bekende Bessie in 1973: `Ik schreef het boek in een vreselijk getij, in een soort golf van walging en diepe haat tegen wat me tot slachtoffer gemaakt heeft.'

Na een jaar of tien accepteerden de dorpelingen haar zoals ze was, een merkwaardige kleine, ronde vrouw met doordringende zwarte ogen, die stevig kon roken en drinken. Bessie kreeg respect voor de Afrikaanse vrouwen en begon te houden van het droge landschap en de stilte: `just living'. Ze kreeg zelfs een paar goede vrienden, met wier hulp ze een prachtige orale geschiedenis van het dorp schreef, Serowe: Village of the Rain Wind (1981).

Bessie wilde tenslotte niet meer weg. Wel ging ze in op uitnodigingen voor schrijverscongressen en reisde ze onder meer naar de VS, Berlijn, Denemarken en Nederland. Journalisten en letterkundigen begonnen haar op te zoeken in Serowe. Tot ze er genoeg van had en ze allemaal de deur wees, de `parasieten' die geld verdienden en carrière maakten over haar rug, terwijl ze zelf nog geen ijskast bezat.

Bessie's dood, in 1986, kwam vrij plotseling. Sommigen, zoals haar vriend Cassim, zagen het aankomen. Bessie had haar 24-jarige zoon Howard na heftige ruzies het huis uitgegooid. Cassim: ,,Het was de verschrikkelijkste dag van haar leven. De enige persoon die ze liefhad, had ze weggejaagd.'' Bessie raakte aan de sterke drank, binnen enkele maanden was haar lever aangetast. Op 17 april stierf ze vrij onverwacht aan hepatitis. Ze werd 49jaar.

Bessie's kleine huis is er nog. Het ligt op een heuvel langs een stofpad, vanwaar je een wijds uitzicht hebt. Howard is er, na een aantal omzwervingen in Canada en Zuid-Afrika, weer gaan wonen en leeft nu van de royalties van zijn moeders boeken. Om de boom achter het huis heeft Howard een bar getimmerd. Het is het begin van wat de `Thorntree Jazz Club' moet worden, legt hij verlegen uit.

Vleugjes grijs lichten op in zijn donkere baard en haar. Hij heeft de ogenvan zijn moeder, naar foto's te oordelen. Op de foto's is het hele huis volgeplakt met krantenartikelen en foto's. Bessie zit op het bed, heftig pratend, sigaret in de hand. ,,Als ze bezoek kreeg, werd er altijd over het universum en zo gesproken, nooit over gewone dingen'', zegt Howard. Vanaf z'n dertiende begon hij zijn moeders werk te lezen. ,,Ik was trots op haar, ik vond het mooi dat ze een schrijfster was. Maar ik begreep nooit waarom ze niet wat eenvoudiger kon schrijven. Ik hield van het Serowe-boek en van Rain Clouds. Maru is ook oké, dat is een liefdesverhaal. En ik heb Power [A Question of Power] geprobeerd.'' Howard schudt zijn hoofd. ,,Dat is niet makkelijk maar ik blijf het proberen.''

Het laatste jaar van hun leven samen was een deprimerende tijd, vertelt hij. ,,Mijn moeder worstelde met het schrijven van haar eigen biografie, terwijl ik wat avonturierde in de muziekwereld in Gaborone. Dat vond ze niet leuk. Ze wilde dat ik een gewone baan zocht, iets met zekerheid. Maar ik was jong en opstandig, ik wilde iets hips doen.'' Hij merkte dat zijn moeder emotioneel van hem afhankelijk was. ,,Ze had verder eigenlijk niks om voor te leven. Ze werkte, ja, maar ze was eenzaam. En voor mij was het tijd om te gaan.'' Hij zucht. ,,Als jonge jongen hoopte ik altijd dat we op een dag zouden vertrekken, naar een plaats in de wereld waar de dingen gebeurden'', zegt hij zacht. ,,Maar nu begrijp ik haar.''

Citaten zijn afkomstig uit:

Bessie Head Papers (Brieven), Khama III Memorial Museum, Serowe.

A Gesture of Belonging, Letters from Bessie Head 1965-1979. Edited by Randolph Vigne, Heinemann, Londen, 1991.

Bessie Head, A Woman Alone, Autobiographical Writings. Edited by Craig MacKenzie, Heinemann, Londen, 1990.

Bessie Head, Serowe: Village of the Rain Wind, Heinemann, Londen, 1981.

Over Bessie Head:

Gillian Stead Eilersen, Bessie Head: Thunder Behind Her Ears, Her Life and Writing, Heinemann, Portsmouth NH, 1995.

Bessie had niemand

behalve haar zoon.

En aan hem

is ze doodgegaan

Bij Bessie werd er altijd over het universum en zo gesproken, nooit over gewone dingen