Microscopisch schiemanswerk

Modelschepen werden niet gemaakt om in een fles te stoppen, maar als voorstudies om opdrachtgevers te verleiden.

Klein en fragiel zijn scheepsmodellen, passend in de palm van een hand. Ze leiden een veilig, beschut bestaan ver van de zee. Geen storm jaagt door de ra's of vult de zeilen, de branding ruist nooit onder de boeg, de grote leegte van oceanen blijft hen vreemd. Ondanks de ontroerende volmaaktheid van hun vorm, worden schepen in miniatuur slechts bij hoge uitzondering van een helling – die natuurlijk ook op schaal is – te water gelaten.

Nederland telt, bij verzamelaars en in musea, ongeveer zevenduizend geregistreerde scheepsmodellen. In de maritieme musea van Rotterdam of Den Helder, in het Scheepvaartmuseum en Rijksmuseum te Amsterdam worden ze gerestaureerd, beschreven, minutieus onderzocht en bewaard. Het is een verkeerde veronderstelling scheepsmodellen te associeren met gewezen kapiteins of voormalige schippers die na hun pensioen op een stoffige zolder uit heimwee een bootje in een fles of uit lucifershoutjes bouwen. In de vorige eeuw had de Koninklijke Marine talloze modelbouwers in dienst die voortdurend in de weer waren de Nederlandse zeevloot en ook koopvaardijschepen te verbeteren en vernieuwen. De Marine beschikte over spionageschepen die op open zee of in havens zo dicht mogelijk vaartuigen van Engelse, Portugese of Franse makelij benaderden om de bouw, tuigage, de innovaties te kunnen jatten voor Nederlandse doeleinden. Koning Willem I eiste dat van de Marine, en hij eiste ook dat elke verbetering toeviel aan de koopvaardijvloot.

Al deze modellen kregen een plaats in de Marinemodellenkamer die te vinden was in Het Binnenhof in Den Haag. Het moet daar geweest zijn als in een verhaal van Jules Verne. Een wereld van gedroomde schepen, duiktoestellen, revolutionaire ankers, tuigage die elke storm kon doorstaan. Aan het eind van de vorige eeuw, in 1885, schonk de Marine alle modellen aan het Amsterdamse Rijksmuseum, dat sindsdien een collectie heeft van enkele duizenden exemplaren. Het depot bevindt zich niet in de kelders van het gebouw, maar hoog in de oostelijke toren. Vanuit de ramen onder het leistenen dak is nog net de schittering van het water in de Singelgracht of Hobbemakade te zien.

Matrozenvolk

Het depot bezit alles wat met de Nederlandse scheepvaart te maken heeft. Een scheepsbeschuitmachine is er weggeborgen, een kombuis met grote pannen voor het gewone matrozenvolk en kleinere voor de heren officieren. Onherkenbaar – wat is dat voor een bizar vaartuig? – en daarom intrigerend is het model van een ijsbreker, waarmee in vroeger tijd het Noordhollands Kanaal 's winters werd opengehouden. Het is een log staketsel, niet langer en breder dan een hand, waarvan een uiteinde lang is, het andere korter. De korte kant werd omlaag getrokken, het gevaarte schoof vooruit en vervolgens denderde de lange zijde, voorzien van tanden, op het ijs om het in stukken uiteen te breken.

Tot in de jaren dertig exposeerde het Rijksmuseum de schenking van de Marinemodellenkamer aan de kant van de Vaderlandse Geschiedenis. Na de oorlog verdwenen de modellen in de opslag: de masten knakten, het textiel van de zeilen rafelde en verpulverde, verwaarloosd touwwerk veranderde in iele draadjes stof. Als je ernaar keek, viel alles al uiteen. Ondertussen is een deel gerestaureerd en nu zijn meer dan 75 nautische modellen uit de negentiende eeuw tentoongesteld onder de titel Zee op zakformaat.

Enkele van de modellen waren zo zwaar beschadigd, dat ze millimeter voor millimeter uiteen werden gehaald, klinknagel na klinknagel, spant na spant. In sommige modellen zijn klinknagels teruggevonden zo ragfijn en dun als een haar. Maar ze werden wel in massief hout gedreven. De restaurateur bekeek of de touwen links dan wel rechts geslagen waren, telde het aantal slagen per centimeter en maakte alles nieuw. Microscopisch schiemanswerk.

Het roer, de kiel, het want, de masten, de waterlijn: er bestaat geen onderdeel van een schip of een modelbouwer wijdde er zijn aandacht aan. Een model is dan ook allesbehalve een scheepje-in-de-fles of een decoratieve versiering van de huiskamer of het kantoor van een rederij. Eerst kwam het model, daarna pas – eventueel – het werkelijke schip of schipsonderdeel. Het model is de bouwtekening op schaal, een blauwdruk, maar dan driedimensionaal zodat bouwer en opdrachtgever het latere schip alvast levendig voor zich zagen. Werven stuurden de admiraliteiten van zeevarende mogendheden modellen toe van schepen die zij konden bouwen, volledig met alle vernieuwingen. Een model was tastbaar. Het technische vernuft dat eruit sprak, vergrootte de kans op een order, waarover het Ministerie van Oorlog besliste. Scheepsbouwers zochten de vooruitgang in bruikbaarheid en doelmatigheid. Modellenverzamelaar en waterbouwkundige Jan Blanken (1755-1838) was van oordeel dat `een te exhiberen model meer zal afdoen dan duizend woorden.'

Kinderbadje

De wereld in het klein die een model vertegenwoordigt, heeft ook iets dramatisch. Het is afgeschermd door het glas van de vitrine; zee, golfslag, wind en bemanning moeten we ons er bij voorstellen. Een van de minst sierlijke bouwsels uit de collectie, het past zo in een kinderbadje, is een houtschip uit Canada, gebouwd in 1824. Het oogt als een blok, met nauwelijks gebogen voorsteven, een langgerekt dek en een minimale opbouw voor de stuurhut. Het zeilschip, een viermaster, was bestemd voor de verkoop van hout: wanneer het op de plaats van bestemming aankwam, werd het uiteengenomen en kon al het hout waaruit het was opgetrokken worden verkocht. Hierdoor ontliep men hoge invoerrechten. De voorzieningen voor de bemanning waren van de eenvoudigste soort. Dit houtschip voer van Quebec, Canada, naar Londen. Het was een onmogelijke overtocht. Omdat het hout van de scheepshuid niet gebreeuwd mocht worden, begon het te werken en te kieren. Water sijpelde binnen en de bemanning deed niets anders dan hozen. Nadat het eenmaal veilig was aangekomen in Londen besloot de reder het houtschip voor nog meer geld verder door te verkopen. Om de bemanning tegemoet te komen, werden pompen aangelegd. Kort na de uitreis verging het op volle zee. Dit model is de enige herinnering. Er is zelfs een deel van het inwendige voorhanden. We zien hoe loodzware balken het volgetimmerde ruim vullen. Zoveel mogelijk hout werd verstouwd, het houtschip was een varend bosperceel.

Poëtisch is de uitvinding van het zogeheten `schroeflichttoestel'. Een schroef behoort, vanzelfsprekend, onder de waterlijn. Maar nee, de Koninklijke Fabriek P. Van Vlissingen en Dudok van Heel uit Amsterdam bedacht in 1853 het schroeflichttoestel. Ik zie de uitvinders ervan voor me, trots het model tonend in de directiekamer van de Koninklijke Marine. Het bestaat uit een hoog houten raamwerk, 91 centimeter hoog en 23 centimeter breed. Schaal 1/10, in werkelijkheid zou het dus een kleine tien meter meten. Het werd ontwikkeld in de tijd van de overgang van zeilvaart naar stoomvaart, een van de grootste omwentelingen uit de scheepvaartgeschiedenis. De scheepsschroef nam geleidelijk de taak van de zeilen over. Op de werven van de Nederlandse marine maakte de schroef pas rond 1850 zijn entree. De meeste oorlogsschepen, ook die van de koopvaardij, voeren onder zeil met een schroef draaiend op stoomvermogen als hulp. Maar er deed zich, zo werd gedacht, een probleem voor. Zeilde de boot, dan bouwde de stilstaande schroef van al gauw tien ton weerstand op die de snelheid en wendbaarheid aantastte. Daarom bedacht de werf een installatie op het achterdek, waarmee de schroef uit het water gehesen kon worden zodra men op zeil overging. Vijftig man waren er toentertijd voor nodig om die schroef de hoogte in te sjorren.

Het model van dit schroeflichttoestel lijkt op een wonderlijk uitgevallen guillotine. De in glanzend messing uitgevoerde schroef is als een valbijl gevangen in de koker. Aan de bovenzijde zijn touwen bevestigd die de schroef ophijsen. De schroef glijdt omhoog door het raam. Gelukkig voor de ontwerpers ontdekte men pas laat dat de inventie berustte op een verkeerde gedachte. Koppel de schroef los, en hij draait mee op de vaart van de zeilende boot. Ook dat werd aangetoond met behulp van modellen.

De korvet Medusa, een snelzeilend oorlogsvaartuig met negentien kanonnen, was uitgerust met zo'n hijstoestel voor de schroef. Ze werd beroemd door haar overwinningen in 1863 tegen de Japanners, opererend vanuit Oost-Indië. De uitvinding, later als `nutteloos' beschouwd, is dus niet helemaal voor niets geweest. Drie jaar later verdween de Medusa in Indië op de sloop.

Kameleon

De echte jongensdroom, die van Kameleon, Kuifje, de schippers van Bontekoe en Jules Verne tezamen, verbeeldt het wonderschone model van een miniatuur-duikboot. Geheimzinnig, verstild, in zichzelf verzonken prijkt het op de tentoonstelling. Omstreeks 1839 vervaardigden Anton Lipkens en Olke Uhlenbeck dit sierlijke bouwsel van koper. Acht meter lang moest de duikboot uiteindelijk worden, deze meet ternauwernood een meter. Het is het toonbeeld van gratie en de verwezenlijking van een illusie. De mens, zeker die in oorlogstijd want daarom ging het, wilde niet alleen over het water de vijand naderen, maar het liefst hem onzichtbaar besluipen, verschanst onder grijze golven. Het model van Lipkens is net een grote, goudglanzende vis, een karper bijvoorbeeld, die zich schuilhoudt tussen de waterplanten. Aan de buitenzijde is de boot een en al stroomlijning en gestileerde schoonheid. Een anker aan de voorzijde, ronde vensters in de kap, een roer. Brede randen rondom de romp houden de boot in evenwicht. Bovenop een kleine cockpit.

De ontwerpers beperkten zich niet tot de buitenzijde. Slaan we de koepel open, dan toont het onderwatervoertuig een ingenieus mechanisch stelsel van grote en kleine tandwielen, aandrijfstangen en krukassen. Het lijkt een opengewerkt uurwerk, zo doelmatig en onverwisselbaar heeft elk onderdeel zijn plaats en grijpt het ene tandwiel in het andere. Alles moet op handkracht door de bemanning zelf bediend worden. Een vliegwiel in het midden houdt de beweging gaande die overgebracht wordt op een as, waaraan de schroef is bevestigd. Openingen aan de onderzijde laten water toe in de duiktank, waardoor de boot gaat zinken. Pompen zorgen ervoor dat het water terugvloeit in zee. De onderwaterboot stijgt weer.

De ontwerper had, in die nauw bemeten ruimte, een vijfkoppige bemanning voor ogen. Lipkens fantaseerde over `de kunst van het onderwater varen'. Hij was echter vergeten hoe wezenlijk zuurstof is, die zou snel opraken in het kleine vaartuig. Het oogstrelende model, hoe fantasierijk ook bedacht en uitgevoerd, stelt de vraag hoe het in werkelijkheid geweest zou zijn. Stel je de bemanning voor, de lieren bedienend die het vaartuig in het donkere zeewater doen zinken. Hoe konden ze koers houden? Een kompas heb ik niet ontdekt. Keek een van hen door de patrijspoort om zo de richting aan te geven? Hoe lang hielden zij het onder water vol? Beeld je in dat een van de pompen niet meer werkte, verstikt door zeewier of zoiets, en dat het water uit de tank niet afgevoerd kon worden. Dan ging het voertuig echt ten onder, de weerloze manschappen snakkend naar adem in die gevangenis.

Anton Lipkens' utopie werd nooit verwezenlijkt. De Marine wees het ontwerp af, en niet alleen om technische redenen. De toenmalige officieren beschouwden het als oneervol en niet-heroïsch, zelfs als onbetamelijk in de strijd, om de vijand ongezien onder water te naderen. Als men vocht, moest dat ridderlijk en met open vizier. Het visioen van de onfortuinlijke Lipkens was hen te stiekem. Zijn compagnon Uhlenbeck overleed als eerste Nederlander aan de caissonziekte. Dat gebeurt wanneer iemand te lang in een ruimte heeft gewerkt met overdruk en dan, te plots, in normale atmosferische druk komt. Zo schreven beiden toch geschiedenis: de eerste door zijn verbeeldingskracht, de ander door zijn ongewone doodsoorzaak.

De belichting van Zee op zakformaat is gedempt gehouden, waardoor het lijkt of de modellen zich voor altijd willen onttrekken aan de harde realiteit van de scheepvaart. Een Azimutkompas uit 1825 hoort natuurlijk niet verborgen achter glas te staan, maar op een schip in volle zee. Nu krijgt het de betekenis van een kunstwerk met de in windstreken verdeelde, zwart-witte roos. Over alles dachten de ontwerpers van de Marine na, ook over vuurtorens, seinen, sluizen, droogdokken, boeien en drijfbakens. Die laatste, ontwikkeld in 1846, kregen de vorm van kleine zilverkleurige schepen met mast, voor- en achtersteven. Het zijn bijna sieraden voor om een vrouwenhals, zo fijn en kostbaar gemaakt. Halfmodellen, bestaande uit slechts een helft, tonen het schip over de lengte. Het Ramtorenschip Schorpioen uit 1864 is aanwezig, door de werf zorgvuldig uitgevoerd overtuigde het de officieren van de Marine; het kwam in de vaart. Een halfmodel uit de achttiende eeuw geeft in voeten nauwkeurig aan hoe de afmetingen van het schip moeten zijn `Lang Over Steven, Wijdt Binne de Huid en Hol in het Ruim'. Dat is juist wat een vrachtschip moet zijn: `lengte, breedte en vooral zoveel mogelijk ruim'.

De zeil- en scheepvaart is misschien wel een van de mooiste uitvindingen die er bestaan. Schepen zijn een toonbeeld van het samenvloeien van techniek en vernuft, stijl en doelmatigheid, kracht, veiligheid en snelheid. Zij kunnen een duizelingwekkend aantal tonnage hebben, alleen al een anker of de schakel in een ankerketting is van een gewicht en omvang dat het begrip te boven gaat. Nog wonderlijker en onvoorstelbaarder is dat die uitvinding van de scheepvaart begon met modellen. Oneindig klein in verhouding tot de reusachtige schepen die de zeeën bedwongen.

Zee op zakformaat. Nautische modellen uit de 19de eeuw. Rijksmuseum, Amsterdam. Hoofdingang Oost. Dagelijks 10.00-17u. T/m 18/7. De catalogus van de marinemodellen-kamer is op cd-rom te verkrijgen. Prijs ƒ176,25.

Een boekje met hoogtepunten uit de marinemodellenkamer is te verkrijgen in het Rijksmuseum: Techniek in schoonheid, 71 blz. Prijs ƒ29,50.