Menno ter Braak: Politicus zonder partij, 1934

Een van de eerste dingen die Menno ter Braak deed toen hij het manuscript van Politicus zonder partij had voltooid was het boek naar Eddy du Perron sturen. Hij verlangde `vurig' naar zijn oordeel over het boek dat hij als zijn meest `eerlijke' beschouwde, `voor vrienden' geschreven zelfs en dat hij bovendien aan Du Perron en echtgenote wilde opdragen. Geen wonder dat hij wilde weten wat zijn beste vriend ervan vond.

Het was dan ook even slikken toen Ter Braak op 8 juli 1933 de eerste reactie van Du Perron ontving. Na de gebruikelijke onderlinge beleefdheidsfrasen (`meeslepend', `uitstekende gedeelten', `dikwijls briljant') komt Du Perron met niet mis te verstane kritiek: `Ik voel veel voor je honnête homme, maar hij is mij (...) te `humoristisch'; er is, om met Malraux te spreken, een zoo volslagen afwezigheid van `tragiek' in je wezen of in je boek, dat al je eerlijkheid mij ditmaal een beetje links laat – ik vroeg mij dikwijls af of ik wel behoor tot de vrienden voor wie je het geschreven hebt.' En even verderop: `Bep zei dat je boek, voor zoover het haar bekend is (zij is nog niet eens op de helft) voor vijanden schijnt geschreven. Op menige bladzij lijkt me dit waar (...).' Het moet voor Ter Braak een eenzaam moment zijn geweest.

Dat zelfs zijn beste vrienden niet goed wisten wat ze met Politicus zonder partij aanmoesten, zal bij de tegenwoordige lezer van het boek weinig verbazing wekken. Niet dat Politicus zonder partij warrig is of slecht geschreven, maar het leest vooral als een intellectueel coming of age-boek waarin de schrijver bovendien zijn houding tegenover de buitenwereld probeert te bepalen. Zelfonderzoek is het uitgangspunt en dus kondigt Ter Braak al aan het begin, enigszins verontschuldigend, aan dat hij het hele boek in de eerste persoon enkelvoud zal gaan schrijven. Maar die toon heeft hij nodig, zo betoogt hij, omdat hij zich niet meer achter het masker van de woorden wil verbergen: `Ik zoek de mémoires op, omdat ik de spijsvertering der ideeën wil zien onder de schijnsolide, glanzende opperhuid van het werk, omdat het werk altijd meer verbergt dan het onthult, wanneer men het neemt als werk en niet als masker.'

Als consequentie hiervan probeert Ter Braak ook zichzelf zo direct, zo maskerloos mogelijk aan zijn lezers te presenteren. Niet voor niets heet het eerste hoofdstuk van Politicus zonder partij `Een schrijver na zijn dertigste jaar' (Ter Braak is 31 bij publicatie) en het tweede `Geschiedenis ener intelligentie'. In die hoofdstukken kijkt hij terug op zijn intellectuele ontwikkeling, herevalueert hij zijn boeken Carnaval der Burgers en Demasqué der Schoonheid en doet hij een poging zijn eigen persoonlijkheid te analyseren - ten opzichte van zijn jeugd, zijn werk maar vooral ten opzichte van zijn intellectuele omgeving. Ter Braak ziet zichzelf als een eenling, zoals de titel van het boek al aangeeft, en dus plaatst hij zichzelf niet tegenover maatschappelijke stromingen of organisaties; hij doet het door een aantal voor hem essentiële begrippen te onderzoeken. Woorden als (intellectuele) `spijsvertering', `genie', `geest' en `humor' worden van alle kanten beklopt en gewogen, zo uitgebreid dat de schrijver de meeste van deze begrippen op een gegeven moment alleen nog maar tussen aanhalingstekens kan weergeven. Hij heeft ze in zijn betoog dan al zo vaak opgegooid en gekanteld dat ze een heel eigen, `persoonlijke' betekenis hebben gekregen die buiten de context van het boek verloren dreigt te gaan. Het gevolg daarvan is dat er gedurende het lezen van de Politicus voor de ogen van de lezer een heel eigen Ter Braakiaans universum ontstaat, dat er op het eerste gezicht alledaags uitziet, maar waarin zoveel woorden een `bijgeladen' betekenis hebben gekregen dat het voor de lezer steeds moeilijker wordt om de schrijver in al zijn gedachten en associaties te volgen.

Politicus zonder partij is dan ook niet zozeer een studie naar Ter Braaks eigen persoonlijkheid, maar een onderzoek naar de manier waarop de schrijver zijn persoonlijkheid, door middel van taal aan de lezer kan onthullen. Voor Ter Braak blijft de taal in de eerste plaats een masker dat een schrijver opzet om zijn eigen kwalen en gebreken te verhullen. Tegelijk heeft hij de taal nodig om die mededeling te doen. Het is niet de enige paradox waarmee Ter Braak zichzelf in Politicus zonder partij confronteert, maar deze maakt zijn boek tragisch.

Zie de schrijver, gevangen in zijn eigen taal.

Hoe maskerloos Ter Braak ook probeert te schrijven, hoe eerlijk hij zich ook aan zijn lezers probeert te presenteren, het masker blijft hem in de weg zitten. Al schrijvend, zoekend, formulerend, probeert hij een uitweg te vinden, maar zet zichzelf daardoor alleen maar vaster.

En die worsteling wordt alleen maar erger door de toon waarin Ter Braak zijn lezers aanspreekt: die is zelfverzekerd, op het pedante af, en sluit daardoor slecht aan bij de zoekende inhoud van het boek. Dat verklaart vermoedelijk ook waarom het Du Perron en zoveel anderen later zoveel moeite kostte enige `tragiek' in de Politicus te vinden. Die zat er wel in, maar bestond juist uit het falen dat zijn vriend zo pijnlijk over het hoofd zag: dat hij juist in zijn poging tot eerlijkheid zichzelf overschreeuwde.

Toch moet het juist die zelfverzekerde toon zijn geweest, in combinatie met de zoekende inhoud, die maakte dat Politicus zonder partij een invloedrijk boek is geworden, vooral bij studenten na de Tweede Wereldoorlog die iets van Ter Braaks ambivalentie herkend moeten hebben. Door het succes van Ter Braak, Du Perron en hun werkwijze werden begrippen als `humor', `ernst', `eerlijkheid' en de `honnête homme' gemeengoed in het literaire debat van eind jaren veertig begin jaren vijftig. Maar in die verwerking viel ook goed te zien welk bezwaar er kleefde aan de werkwijze van Ter Braak. Zijn zoektocht leidde tot zoveel ambiguïteit dat veel van de `handwoorden' voor meer duidingen vatbaar waren. Zo werd Ter Braaks werk een orakel waar iedereen uit kon halen wat hem van pas kwam en dat gebeurde dan ook gretig, waardoor begrippen als `persoonlijkeid' en `honnête homme' nog lang na zijn dood in volkomen verminkte vorm bleven nagalmen in de Nederlandse literatuur. Anderzijds werd er van Ter Braaks ambigue apologie van de dorpsnotaris (`Als men er eenmaal oog voor heeft, vindt men het geniale in de bekrompenste dorpsnotaris') zelden meer iets vernomen.

Uiteindelijk is Politicus zonder partij nog het beste samen te vatten als een onderzoek van een intellectueel hoe hij met zijn gevoel moet omgaan - een poging die door de aard van het probleem gedoemd was te mislukken. Zelfs de honnête homme, door Ter Braak uit de van Pascal geleende hoge hoed getoverd was niet meer dan een schijnoplossing. Wie deze homme vergelijkt met de Ter Braak zoals die uit Politicus naar boven komt, krijgt het gevoel dat het hier een olifant betreft die zichzelf voor een mug wil uitgeven. Dat is vast Ter Braaks bedoeling niet geweest, maar het maakt dat hij uiteindelijk wel slaagt in zijn doel: Politicus zonder partij is het meest persoonlijke boek dat hij had kunnen schrijven – juist omdat het een verslag is van twee passies die uiteindelijk niet te combineren waren.

Menno ter Braak: Politicus zonder Partij Van Oorschot (1986), 182 blz. ƒ24,90