Mag het een onsje minder zijn

Is de immigratie van buitenlanders verantwoordelijk voor ons fileprobleem? En heeft de komst van immigranten ons miljarden meer gekost dan hetgeen ze hebben bijgedragen aan de Nederlandse economie? Kanttekeningen bij een omstreden studie.

Een baanbrekende eye opener of een subtiele aanzet tot vreemdelingenhaat? Beide kwalificaties van het boek Binnen zonder kloppen van Pieter Lakeman hebben de afgelopen weken in de media rondgezongen. Het enfant terrible van het Nederlandse bedrijfsleven heeft zich nu gestort op de overheid en daarvoor het terrein uitgezocht dat hij zelf aanduidt als `de immigratie-economie'.

Van dat begrip hanteert Lakeman een nogal opmerkelijke definitie. Hij beperkt de immigratie tot de laag geschoolde `gastarbeiders' die van 1960 tot 1973 werden geworven. Zijn economiebegrip daarentegen is juist fors opgerekt. Het grootste deel van het boek gaat helemaal niet over economie, maar over politiek. Daarmee is op zichzelf niets mis, maar wie had verwacht hier nu eens een doorwrochte analyse aan te treffen van de invloed van immigratie op de Nederlandse economie, kan het boek beter ongelezen laten.

Lakeman begint rustig. De eerste helft van zijn boek beschrijft tamelijk minutieus de besluitvorming rond de werving van gastarbeiders. Hij citeert uit wets- en verdragsteksten, regeringsnota's en Kamerstukken. Algemeen wordt aangenomen dat iedereen er destijds van overtuigd was dat de aanwezigheid van de gastarbeiders slechts tijdelijk zou zijn. Na enkele jaren zou de behoefte aan laag geschoolde arbeid wel weer verdwijnen en zouden de betrokkenen terugkeren, een ervaring rijker en – wellicht – een illusie armer.

De realiteit was anders. Enkelingen zagen dat toen al in. Hoewel een aanzienlijk deel van de gastarbeiders wel degelijk is teruggekeerd (zoals bijna de helft van de Turken die hier ooit werkten), zijn ook velen gebleven. Internationale verdragen stelden hen in staat hun gezin te laten overkomen. Er ontstond een tweede generatie, waarvan sommige leden op hun beurt weer een huwelijkspartner uit de landen van herkomst lieten overkomen. Zo kon het gebeuren dat, terwijl in 1974 het aantal Turkse en Marokkaanse arbeiders in Nederland 60.000 bedroeg, er thans ongeveer een half miljoen mensen hier woont met een Turkse of Marokkaanse achtergrond. De immigratie uit die landen gaat ook nu nog door, al lijkt het hoogtepunt ruimschoots voorbij.

Afwentelen

Lakemans stellingname is tweeledig. In de eerste plaats betoogt hij dat de immigratie – van Turken en Marokkanen – de Nederlandse samenleving veel meer heeft gekost dan opgeleverd. Het gaat volgens Lakeman om een bedrag van in totaal zo'n zeventig miljard gulden. Als hij de rentederving zou meerekenen, komt hij zelfs op het dubbele uit. Vooral deze `vondst' heeft veel aandacht gekregen, misschien omdat Lakeman hiermee een taboe lijkt te doorbreken dat allochtonen publiekelijk niet als `last' mogen worden aangemerkt.

Toch gaat het hier om oud nieuws, dat iedereen die zich ook maar enigszins in de geschiedenis van de gastarbeid heeft verdiept, kan bedenken. Rond 1980 vond in de Nederlandse economie een ingrijpende herstructurering plaats. Daarbij verdwenen niet alleen veel laag geschoolde arbeidsplaatsen maar ook hele bedrijfstakken, zoals de scheepsbouw en de textiel. Deze herstructurering trof de gastarbeiders, die inmiddels `buitenlandse werknemers' waren gaan heten, relatief zwaar. Duidelijk werd toen dat de werving destijds helemaal niet conjunctureel was, maar dat zij vooral had bijgedragen aan het rekken van het leven van kwijnende industrieën.

Veel laag geschoolde Turken en Marokkanen belandden in die jaren in de WW of WAO, en later in de bijstand. Gevoegd bij het feit dat zij gemiddeld grote gezinnen hebben en dus voor veel kinderbijslag in aanmerking komen, maakt dit inzichtelijk waarom de kosten van de gastarbeid al ras de baten begonnen te overtreffen. Lakeman lijkt de politiek te verwijten dat ze dit stil heeft willen houden. Men kan echter ook stellen dat het de Nederlandse politiek juist siert dat dit thema nooit tezeer naar voren is geschoven, zoals elders in Europa wel is gebeurd. In Frankrijk, Oostenrijk en Vlaanderen zien we tot welke heilloze polarisatie dit kan leiden: de migranten gaan toch niet weg, zij hebben het volste recht te zijn waar zij zijn, en hun integratieproces wordt zo alleen maar belemmerd.

Lakemans tweede stelling is interessanter. Hij betoogt dat het bedrijfsleven al vanaf het allereerste begin van de werving wist dat het niet ging om tijdelijke tekorten aan arbeidskrachten. Het wist echter ook dat een pleidooi voor permanente immigratie onhaalbaar was in een land dat oprecht dacht in het jaar 2000 meer dan twintig miljoen inwoners te zullen tellen. Het bedrijfsleven presenteerde daarom de tekorten als tijdelijk. Het werkgeverskabinet-De Jong (1967-1971) gaf gevolg aan de roep om gastarbeiders. Die zouden immers toch weer spoedig terugkeren naar huis en eventueel worden vervangen door anderen.

De werkgevers zelf zagen dat iets anders, zo blijkt uit Lakemans analyses: zij waren niet geporteerd voor roulatie. Ook slaagden zij erin heel wat rechten voor de gastarbeiders vastgelegd te krijgen in verdragen die de Nederlandse overheid sloot met de landen van herkomst, met name met Marokko. De belangen van Nederlandse werkgevers en de Marokkaanse regering liepen hier parallel. Beide kanten wensten continuïteit: de werkgevers in de arbeidsvoorziening, Marokko in de deviezenstroom. Alleen de Nederlandse regering hield vol dat de migratie tijdelijk zou zijn, ook toen de gezinshereniging eenmaal op gang was gekomen. De conclusie is duidelijk: het Nederlandse bedrijfsleven heeft destijds gewin gezocht op de korte termijn en de langetermijnlasten willens en wetens afgewenteld op de samenleving.

Complottheorie

Dit is een interessante visie, maar één die een steviger onderbouwing vraagt dan Lakeman biedt. In plaats van verdieping geeft hij sweeping statements die een economische analyse – desnoods een economisch-politieke analyse – ver te buiten gaan. Veel van die uitspraken hebben een sterk morele ondertoon en sommige hebben meer weg van complottheorieën.

Zo worden de staatssecretarissen van justitie Glastra van Loon en Zeevalking verantwoordelijk gesteld voor de komst van tienduizenden illegalen naar Nederland sinds het midden van de jaren zeventig, omdat zij destijds hadden betoogd dat de mogelijkheid om iemand uit te zetten met het verglijden van de tijd kleiner wordt. Staatssecretaris Haars, die een verblijfsvergunning gaf aan een aantal hongerstakende `Kerkmarokkanen', wordt postuum verantwoordelijk gesteld voor het feit dat tot op de dag van vandaag de deur werd opengezet voor iedereen die binnen wilde komen. Eind jaren zeventig signaleerde de WRR dat buitenlandse arbeiders nodig zouden blijven ondanks de toen oplopende werkloosheid. Lakeman meent dat deze WRR-uitspraak zo'n taai leven is gaan leiden dat Hedy d'Ancona en Ed van Thijn haar in februari 1999 nog klakkeloos nazeggen. Zouden deze politici echt twintig jaar migratiegeschiedenis hebben gemist?

Zulke stellingnamen getuigen van een simplistisch soort determinisme. Dramatischer wordt het bijvoorbeeld wanneer Lakeman een verband suggereert tussen de immigratie en het fileprobleem, en wel omdat steeds meer werkende autochtonen van de grote steden verhuizen naar buurgemeenten. Bont maakt Lakeman het ook als hij de belangenbehartigers van immigranten vergelijkt met de McCarthyisten in de VS. Het verschil is volgens hem alleen dat in de VS linkse intellectuelen het slachtoffer van de hetze waren, terwijl in Nederland linkse intellectuelen juist de drijvende kracht erachter zijn.

Terug naar de meer serieuze delen van het boek. Lakeman heeft gelijk dat onder Nederlandse economen de kosten en baten van de immigratie nauwelijks onderwerp van onderzoek zijn geweest. Dat heeft niet alleen te maken met de politieke gevoeligheid van het thema, maar vooral met de methodologische problemen waarop serieus economisch onderzoek naar immigratie al gauw stuit. Kernvragen zijn: wat moet men onder immigratie verstaan – zeker in een land dat zichzelf nog altijd maar moeizaam als immigratieland ziet – en wat moet men als effecten van immigratie beschouwen?

Lakeman heeft ervoor gekozen de gastarbeiders te behandelen en, zij het veel minder diepgaand, de asielzoekers. Dit zijn inderdaad nu precies de twee immigratiebewegingen die Nederland meer kosten dan zij opleveren. De vraag dringt zich dan wel op, waarom Lakeman geen melding maakt van de 200.000 migranten uit andere EU-lidstaten die hier wonen en werken, of waarom hij zich niet realiseert dat de Amerikaanse en Japanse managers van multinationale ondernemingen in Nederland voor zeer veel werkgelegenheid zorgen, en waarom hij slechts zeer terloops melding maakt van de succesvolle integratie van een paar honderdduizend Nederlanders uit Indonesië in de jaren vijftig. Dat laatste is een success story die lijkt te worden nagevolgd door de bijna 300.000 Nederlanders van Surinaamse afkomst, onder wie de arbeidsparticipatie na een wat moeizame start de laatste jaren spectaculair is toegenomen. Kortom, de beperking van Lakemans analyse tot twee problematische immigratiebewegingen mag nog niet tot de conclusie leiden dat `de' Nederlandse immigratie- en integratiepolitiek failliet zijn.

Nog lastiger is de vraag wat men nu precies moet aanmerken als economische effecten van immigratie. Lakeman beperkt zich in zijn rekenmodel tot wat hij de belangrijkste en meest zichtbare posten noemt: sociale uitkeringen, kinderbijslag, gezondheidszorg en huursubsidies. En passant voegt hij daaraan ook nog even wat kosten toe voor opvang in gevangenissen en de verwerking van asielaanvragen. Aan de batenkant komt hij niet veel verder dan de btw die ook Turken en Marokkanen bij hun aankopen betalen.

Dit lijkt mij zeer eenzijdig. Ik betwist niet dat voor de staat de kosten van de aanwezigheid van Turken en Marokkanen per saldo de baten overtreffen. Maar waarom rept Lakeman met geen woord over de loon- en inkomstenbelasting en de premies die de vele wèl werkende Turken en Marokkanen betalen? Waarom vermeldt hij niet dat de jonge leeftijdsopbouw van deze groepen weliswaar veel kost aan kinderbijslag, maar dat het beroep op de – veel duurdere – AOW vooralsnog praktisch nihil is? Of dat de vele migranten die op latere leeftijd terugkeren naar hun land van herkomst, voor de Nederlandse gezondheidszorg veel goedkoper zijn dan de autochtone bejaarden? Of dat Nederland geen cent heeft hoeven investeren in de opleiding van de eerste generatie migranten?

Lakeman zwijgt ook in alle talen over zogenaamde `tweede-orde-effecten' (behalve dan zijn opmerking over de files). Het onderwijs aan kinderen van migranten, bijvoorbeeld, kost de samenleving wel veel geld, maar de kost gaat hier voor de baat uit. Als we dat geld niet uitgaven, zouden de toekomstige maatschappelijke kosten ongetwijfeld nog veel hoger zijn. Onderwijs is dus een diepte-investering die rendement oplevert, zij het pas op lange termijn. Ook de economische bijdrage die de wèl werkende Turken en Marokkanen leveren wordt niet vermeld. Stel je voor dat die van de ene dag op de andere zouden stoppen met werken. Wie zouden de gaten moeten vullen die dan ontstaan?

Onhelder

Naarmate de tijd verstrijkt wordt een exercitie als die van Lakeman bovendien steeds moeilijker. Steeds minder helder wordt wat nu eigenlijk de economische effecten zijn van een immigratiebeweging die al meer dan dertig jaar oud is. Wat reken je mee, en wat niet? Nog belangrijker: waarom wil je het eigenlijk weten? Er is niets tegen wetenschappelijke nieuwsgierigheid, maar dan zou de ontwerper van het analysemodel op zijn minst moeten stilstaan bij de twijfels en aarzelingen die ik zojuist aanstipte. Lakeman doet dat niet. Daarom krijgt zijn model al snel een demagogische lading. Wat wil hij ermee? Met `harde cijfers' aantonen dat de migranten hier niet horen? Met even harde cijfers zou je kunnen aantonen dat ouderen of gehandicapten de samenleving meer kosten dan ze opbrengen. Wat heeft zoiets voor zin?

Maar misschien wil hij aantonen dat meer investeren in scholing en opleiding zou lonen. Dat was de strekking van een soortgelijke exercitie die de econoom Von Loeffelholz en de politicoloog Thränhardt in Duitsland uitvoerden onder de veelzeggende titel Kosten der Nichtintegration. Voor Duitsland kwamen zij eveneens tot de conclusie dat de immigratie meer heeft gekost dan opgeleverd. Zij bezagen wel de totale immigratie, niet alleen die van gastarbeiders. En hun conclusie was een andere: zij concludeerden dat Duitsland zichzelf tekortdoet door de hoge werkloosheid onder migrantenjongeren te laten voortbestaan en door te weinig in hun scholing en arbeidsdeelname te investeren. Dáár kan een overheid iets mee. Lakeman, daarentegen, laat zijn lezers totaal in het ongewisse over de maatschappelijke en beleidsmatige consequenties van zijn `ontdekking'.

Dat is des te betreurenswaardiger omdat het thema arbeidsmigratie de laatste tijd weer meer in de aandacht staat. De economische groei en de teruglopende aantallen schoolverlaters leiden tot steeds meer krapte op de arbeidsmarkt. Hoewel de politiek dit maar moeilijk kan geloven, blijkt het lang niet altijd haalbaar om langdurig werklozen terug te krijgen naar de arbeidsmarkt, vervroegd uittreden van oudere werknemers tegen te gaan of deeltijdwerkers te interesseren voor een voltijdbaan. In bepaalde sectoren is de situatie nijpend: de zorg, het onderwijs, de it-sector en de bouw. Af en toe leest men al over de werving van Noorse verpleegkundigen, Vlaamse leraren of Poolse computerdeskundigen. De vraag is gerechtvaardigd of binnenkort de roep om werving van arbeidskrachten in het buitenland luider zal worden.

Diverse West-Europese landen zijn hiermee al enige jaren aan de gang. Berlijn, bijvoorbeeld, wordt opgebouwd door Portugese bouwvakkers, op Portugese arbeidsvoorwaarden. Binnen de EU is dit mogelijk, maar intussen worden de plaatsen die in Portugal zijn opengevallen weer bezet door, veelal illegale, migranten uit Afrika. Italië en Spanje hanteren de facto jaarlijkse quota van zo'n 30.000 arbeidsimmigranten. Griekenland zag zich onlangs genoodzaakt ruim 300.000 illegalen te regulariseren.

Europa, inclusief Nederland, zou wel eens aan de vooravond kunnen staan van een nieuwe golf van arbeidsimmigratie. De werkgevers staan hier en daar te trappelen. Maar de overheden hebben hiervoor een blinde vlek. De angst voor een herhaling van wat zich in de jaren zestig en zeventig heeft voltrokken is zo diep geworteld dat velen liever maar helemaal niet meer nadenken over toekomstige immigratiescenario's. Het beleid wordt strikter en strikter, maar `Fort Europa' blijkt toch nog wel achterdeuren te hebben waarlangs immigratie plaats vindt. In Zuid-Europa neemt deze vooral de vorm aan van illegale immigratie, in Noord-Europa gebruiken sommigen het asielrecht oneigenlijk bij gebrek aan alternatieve mogelijkheden om binnen te komen. Het zal duidelijk zijn dat het asielrecht hiermee wordt uitgehold. Overal in Europa leiden zulke vormen van `sluipende immigratie' tot onzekerheid en maatschappelijke spanningen.

Het is daarom tijd voor een open debat over arbeid en immigratie. We kunnen daarbij zeker leren van de lessen van de gastarbeid. Een belangrijk verschil met toen is dat de tekorten aan arbeid zich nu niet uitsluitend op de laagste scholingsniveaus voordoen. Dat maakt een integratieproces eenvoudiger. De hamvraag is en blijft evenwel of en, zo ja, hoe in een open democratische samenleving kan worden voorzien in tekorten op de arbeidsmarkt zonder dat dit per se leidt tot blijvende vestiging. Misschien luidt het antwoord op die vraag wel dat dit onmogelijk is. Binnen zonder kloppen geeft voor deze discussie geen enkele aanzet.

Hans Dietrich von Loeffelholz & Dietrich Thränhardt: Kosten der Nichtintegration ausländischer Zuwanderer. Ministerium für Arbeit, Gesundheit und Soziales des Landes Nordrhein-Westfalen (1996).

Niet verkrijgbaar in de boekhandel.