Losse draden in een stapelhoofd

Hij is een verklaard liefhebber van de Kameleon-boeken van H. de Roos en hij heeft sinds het najaar van 1996 een heuse fanclub. Wie onbekend is met het werk van Kees 't Hart zou op grond van deze gegevens kunnen denken dat wij hier wel eens met een rondborstige verhalenverteller te maken zouden kunnen hebben, met een breed lezerspubliek. Maar in de praktijk zijn we ver verwijderd van de gezellige dorpswereld van de broertjes Klinkhamer met hun overzichtelijke kwajongensstreken en heldendaden, en ook van de bijbehorende grote oplagen. Tot dusver staat het vertellersvernuft van Kees 't Hart vooral ten dienste van een iets weerbarstiger soort verhaal, waarin het veel minder gaat om het weergeven van gebeurtenissen of avonturen dan om het verwerven van inzichten en het minutieus beschrijven van de waarnemingen die aan die inzichten vooraf gaan.

Het is misschien niet het allergemakkelijkste, maar wel een aanstekelijk soort proza, dat 't Hart al vanaf zijn verhalendebuut Vitrines (1988) voortbrengt: bedachtzaam, maar ook droog komisch; nuchter, maar ook bizar. Glasheldere zinnen worden afgewisseld met vreemde, maar mooie opsommingen, feitelijke mededelingen met grillige gedachtespinsels, of met regelrechte stameltaal. Ik vermoed dat hij zijn lezers graag het wat oncomfortabele gevoel bezorgt dat hij zijn eigen universum net niet helemaal onder controle heeft, dat hij wel erg veel registers nodig heeft om de gevoels- en stemmingsnuances van zijn personages tot uitdrukking te kunnen brengen.

Het werk van 't Hart heeft iets smartelijks, net als dat van uiteenlopende, maar verwante auteurs als Marie Kessels, Kees Ouwens, Willem Brakman en Atte Jongstra, om een kleine greep uit het postmoderne arsenaal te doen. 't Hart is weliswaar minder obsessief dan Kessels, een stuk minder hermetisch dan Ouwens en stilistisch minder verknoopt dan Brakman en Jongstra, maar er kleeft aan het werk van alle genoemden iets vergelijkbaar eenzaams, ondanks of misschien juist wel door de onvermoeibare explicatiedrift die erin aan de dag wordt gelegd. Ieder op hun manier proberen ze, steeds opnieuw, de grondslagen van het leven bloot te leggen: het soort gegraaf en gewroet dat niet altijd op evenveel begrip en instemming mag rekenen, zowel binnen als buiten het werk in kwestie. Waarschijnlijk zal het voor dit type schrijvers altijd wel bij bescheiden fanclubs blijven, hoe jammer dat misschien ook is.

Een ongezellige schrijver is Kees 't Hart intussen toch ook weer niet. De atmosfeer die hij met zijn beeldenrijke stijl weet op te roepen, is eerder vertrouwelijk dan afstandelijk te noemen. Zijn onderwerpen zijn bepaald gezellig, in een verouderde betekenis van het woord. In het werk van 't Hart worden bij voorkeur instellingen bezocht en bestudeerd waar veel mensen bij elkaar plegen te komen: het zwembad, het warenhuis, de schouwburg, het theater. Men loopt er stage, doet onderzoek, bereidt scripties voor, bedenkt theorieën, snuffelt in archieven, rubriceert en analyseert. Die wetenschappelijke belangstelling en aanpak fungeert als dekmantel voor het veel fundamentelere probleem waarmee 't Harts personages worstelen: hoe doet men dat eigenlijk, leven? Door de gedragingen van anderen te observeren in min of meer geritualiseerde omstandigheden, hopen ze de sleutel te vinden tot dit mysterie.

In De revue, zijn vijfde roman, wordt die sleutel gevonden (de titel zegt het eigenlijk al) in het verleden, in de terugblik. Een man van tegen de vijftig herziet de glanzende periode van enkele weken, in 1969, dat hij werkzaam was in Carré bij `de revue': de Snip en Snaprevue die in 1971 voor het laatst werd opgevoerd. De naamloze ik-figuur, archiefmedewerker te Zwolle, is getrouwd met zijn jeugdvriendin Sylvia, over wie wij niet veel meer te te weten krijgen dan dat zij lerares is en bij het minste of geringste moet huilen. Terloops wordt melding gemaakt van het bestaan van twee kinderen.

Des te meer krijgen we te horen over Zwiep, zijn grote revue-liefde. Dat hij haar ooit na een dramatische gebeurtenis verliet om vervolgens spoorloos uit haar leven te verdwijnen, is iets dat hem nog altijd met spijt en schaamte vervult. Deze liefde was te overweldigend voor de persoon die hij was en zijn angst om haar te verliezen zo groot, dat hij zelf maar de benen nam. Maar vijfentwintig jaar later is hij nog altijd in de ban van Zwiep en stelt hij alles in het werk om haar terug te vinden. Zo schept 't Hart een fraai contrast tussen een kennelijk nondescript burgermansbestaan in een provinciestad en het korte, maar turbulente leven dat de hoofdpersoon, in zijn eigen rijke verbeelding althans, leidde in Amsterdam.

Dat de revue in de toenmalige werkelijkheid iets minder opwindend was dan hij ons wil doen geloven, en dat er een kloof gaapt tussen zijn gedetailleerde herinneringen en de nuchtere feiten die anderen desgevraagd opdiepen, blijkt keer op keer. Als hij een van de vroegere dansmeisjes ontmoet, heeft hij aan een nietszeggende dialoog genoeg om de rest zelf aan te vullen. Moeiteloos `herinnert' hij zich dan ineens hoe een revue-avond er voor haar uitzag, welke nummers ze moest dansen, waar ze het in de kleedkamer over had en wat ze na de pauze deed: `eerst de Caraïbische dans, dat was het leukste nummer, en weer verder, verder, na de pauze was de moeilijkste haastverkleding, tussen het treinnummer en het beursplein, weer stiekem een sigaretje in de kleedkamer roken, daarna was het rustig tot aan de finale.'

De veelgeroemde revue-solidariteit, zo blijkt tussen de regels door, was ook niet zo groot als wenselijk werd geacht. De revue was al op zijn retour, men liet zich er vaak wat schamper over uit, de betaling was slecht, terwijl de directeur intussen malle toespraken afstak en een ouderwetse hiërarchie in stand probeerde te houden tussen de medewerkers: de komieken, de dansers, de zangers, de muzikanten en het technische personeel. Zelf behoorde onze held tot de onderkaste van de technici en dus niet tot de artiesten. Hij was `van het licht', maar nog altijd, net als toen, is hij vastbesloten om door te dringen tot het wezen van de revue. De afstudeerscriptie die hij er destijds, als geschiedenisstudent, aan had willen wijden, lijkt hij na 25 jaar weer te hervatten.

Zijn onderzoekende geest is nog helemaal intact. Nog steeds ziet hij alles, dwars door muren en hoofden heen, maar tegelijkertijd ziet hij ook niets, verblind door de liefde voor Zwiep en zijn `revue-verlangen'. `Ik had geen zintuigen', klaagt hij tegen het eind van de roman, in Ouwensachtige woorden: `ik was notitiehalvegare, feitverslaafde, archievenvuller, kijkverlamde, oorinvalide, zelfverslaafde, niets heb ik gezien.' De revue moet het hebben van zijn contrasten: van de spanning tussen werkelijkheid en verbeelding, vroeger en nu, het gewone en het artiestenleven en vooral van de spanning tussen denken en doen. Het is wel duidelijk waar de voorkeur naar uitgaat: naar de artiesten, de doeners, die het geluk bezitten waar de gewone mensen alleen maar van kunnen dromen.

Een gelukkig leven, zo valt uit De revue op te maken, is voorbehouden aan onbevangen mensen, die de dag plukken en zich niet bekreunen om verleden of toekomst, voor mensen als Zwiep die `gelukkige woorden' kent, onzinwoorden, zoals `breekmatroos', `musjeshoed', `stapelhoofd' of `fietsgelach'. In diepste wezen vertegenwoordigt ook de revue een vergelijkbaar, gelukzalig niets: `Geen rode draad, geen verhaal (-), geen draden, maar losse draden.'

De revue zou je het resultaat kunnen noemen van een toch nog voltooid onderzoek naar een inmiddels opgeheven vorm van amusement. Een onderzoek waar wel degelijk verhaal en rode draad in zit. De revue bestaat niet meer, heeft zelfs misschien nooit bestaan buiten de verbeelding van de revuemedewerkers, maar heeft bij dezen alsnog een soort bestaansrecht weten te veroveren.

De revue is met grote overgave geschreven, zoals alles van 't Hart. Met een weldadige traagheid ontrolt zich de geschiedenis van een fenomeen dat allang tot het verleden behoort, maar dat hier opnieuw tot een eeuwigdurend heden is gewekt – eenzelfde soort heden misschien wel dat ook de Kameleon-boeken nog steeds aantrekkelijk maakt.

Kees 't Hart: De revue. Querido, 288 blz. ƒ39,90