Justitie houdt zaak over hiv-besmetting aan

De rechtszaak tegen een man die zijn echtgenote niet had verteld dat hij besmet was met hiv, is gisteren aangehouden. De aanklager had verzuimd een laboratoriumtest van André B. na te trekken.

Drie jaar geleden deed Lia van de Donk uit Heerlen aangifte van poging tot doodslag door haar ex-man, André B. Als drager van het hiv-virus was hij tijdens hun huwelijk tussen 1992 en 1996 een gevaar voor haar. Maar hij waarschuwde haar niet. Integendeel: volgens Van de Donk haalde hij haar over om onbeschermd seks met hem te hebben.

De rechtbank in Maastricht besloot gisteren de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden, omdat de aanklager had verzuimd een Duitse laboratoriumtest na te trekken van André B. uit 1988. In de loop van de zitting bleek dat informatie over die test cruciaal bewijs kan zijn in de zaak.

Het is de eerste keer dat een vermeende poging tot hiv-besmetting tussen echtelieden in Nederland leidt tot een strafzaak. Van de Donk raakte niet besmet, vandaar dat de dagvaarding spreekt van poging tot doodslag of zware mishandeling. De rechtbank maakt gebruik van die bestaande strafbepalingen omdat specifieke wetgeving met betrekking tot hiv-besmetting ontbreekt.

Het openbaar ministerie moet aantonen dat André in 1992 wist dat hij drager was van het hiv-virus. Ook moet het openbaar ministerie de rechter overtuigen dat André op de momenten dat hij seks had met zijn toenmalige echtgenote, wist dat hij haar kon besmetten/mishandelen/doden. Gezien de vele juridische hindernissen voor het bewijzen van opzettelijke hivbesmetting bij (ex)geliefden, is de zaak van André B. nog wonderlijk eenvoudig. Het is reeds bekend dat André hiv-drager is. Dat is een voordeel, want een aidstest is strafrechtelijk niet afdwingbaar. Lia van de Donk raakte zelf niet besmet. Ook dat is een voordeel, want het voorkomt de discussie over wie door wie besmet kan zijn. Bovendien stemde André toe in inzage in zijn medische dossiers. Het medisch beroepsgeheim staat het strafrechtelijk onderzoek dus niet in de weg.

Dat het zelfs onder deze `ideale' omstandigheden nog moeilijk is om poging tot doodslag of mishandeling door hivbesmetting te bewijzen, bleek gisterochtend. Wat als André ondanks een positief testresultaat in 1986 niet geloofde dat hij hiv-besmet was? Uit zijn medisch dossier blijkt dat hij in 1986 in Nederland voor het eerst is getest. De uitslag was: seropositief. Maar André verklaarde tegenover de politie dat die boodschap bij hem niet overkwam. Hij had last van zijn nieren en dacht dat dit van invloed zou kunnen zijn op de uitslag. Wel wist hij dat een ex-vriend (André is biseksueel) besmet was en aids had. ,,Ik wist niet dat ik met hiv was besmet, maar vermoedde het wel'', verklaarde hij tegenover de politie. ,,Ik was jong en wilde het onderwerp ver van mij af schuiven.''

Op André's patiëntenkaart stond sinds mei 1987 in rood met zwarte letters dat hij drager was van het hiv-virus, zo is tijdens een bezoek van de rechter-commissaris aan André's toenmalige huisarts gebleken. Deze huisarts heeft verklaard dat het ,,zeer onwaarschijnlijk, zelfs onmogelijk'' is, dat André zelf niet van de besmetting op de hoogte was.

Maar André verklaarde tegenover de politie dat hij zich in 1988, twee jaar na de eerste test, opnieuw liet testen in Aken, Duitsland. De eerste test had hem niet overtuigd. De uitslag van de Duitse test stond op een briefje: `Keine Annahme fur Aidserkrankung'. Dat stelde hem gerust. Toen hij in 1992 trouwde met Lia van de Donk, zag hij dus geen reden haar iets te vertellen over de eerdere test in 1986.

Volgens een arts van de GG & GD die bij het justitiële onderzoek is betrokken, is het medisch vrijwel onmogelijk dat na een positieve uitslag een negatieve volgt. In 1996 is bij een derde test opnieuw vastgesteld dat André met hiv is besmet.

Maar hoe zit het dan met het Duitse briefje? De officier van justitie bleek dat niet uitgezocht te hebben. Na een korte schorsing wist zij te melden dat geen navraag is gedaan bij de Duitse arts. Het is moeilijk om aan patiëntengegevens te komen van buitenlandse artsen, zo had de GG & GD gezegd. De rechter wil dat de naam van de Duitse arts, zijn rapport uit 1988 en het briefje boven tafel komen voordat de zaak verder wordt behandeld.