Jasses, weer die lente

In zijn bundel `Media vita' schreef J.C. Bloem de mooiste verzen van de Nederlandstalige poëzie.

Geen mens twijfelt eraan dat William Shakespeare de beste dichter is van het millennium. Maar wie is de beste bard van het Nederlands taalgebied? Vondel, Cats, Gorter, Nijhoff, Achterberg, Vasalis, Claus of Kopland, of geen van deze grote dichters? Ik kies voor een outsider: de dichter J.C. Bloem. Weinigen dringen door tot zijn poëzie. Dat is niet de schuld van de lezer of van de opvoeding of van het onderwijssysteem. Dat is vooral de schuld van Bloem zelf. Want hij schreef een gedicht dat al zijn andere werk in de schaduw stelde. En dat ene gedicht is niet eens een gedicht, maar een cabarettekst.

Elke student aan de Kleinkunstacademie leert hoe je een goed cabaretnummer moet opbouwen. Eerst een paar pakkende zinnen om de aandacht van het publiek te vangen. Een verrassende invalshoek, een leuke draai en een paar kleine provocaties:

Natuur is voor tevredenen of legen.

En dan: wat is natuur nog in dit land?

Een stukje bos ter grootte van een krant

Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Na zo'n begin kan voorzichtig doorgeschakeld worden naar wat meer overdrijving. Shockeren mag. Laat het publiek maar ongemakkelijk schuifelen op de stoelen. Laat ze maar vertwijfeld denken: `Zou de cabaretier het menen? Of neemt hij ons in de maling?'

Geef mij de grauwe stedelijke wegen,

De in kaden vastgeklonken waterkant,

De wolken, nooit zo schoon als ze, omrand

Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

En dan direct daarop de diepzinnige gedachte, de paradoxale waarheid, het aforisme van de scheurkalender:

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.

Daarna mogen gerust wat overbodige tussenzinnen ingevoegd worden ten behoeve van rijm of versvorm, maar snel daarna: de ontnuchtering, die de zaal weer terugbrengt tot het hier en nu:

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,

Verregend, op een miezerige morgen

Om te besluiten met een pointe, een puntige afronding, een klapper, die alle handen op elkaar krijgt:

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

Applaus. Doek neer. Dat is cabaret.

`Domweg gelukkig in de Dapperstraat'. Dat is een slotzin van het kaliber `En nou weet ik nóg niet waar de appelmoes gebleven is!' of `Ober, deze dame wil even alles afrekenen!' Klassieke hoogtepunten uit de cabaretgeschiedenis, verzameld door Klöters en Van der Veer. Daar hoort De Dapperstraat bij, natuurlijk, maar niet Bloem, en zeker niet J.C. Bloem. Het cabaretnummer `De Dapperstraat' belet velen de doorgang naar de poëzie van Bloem. Na zo'n uitsmijter is elke trek in de rest verdwenen. En dat is jammer. Want wie de poëzie van Bloem niet heeft geproefd, is domweg nooit gelukkig geweest.

De poëzie van Bloem gaat over leven en dood, of om het met de woorden van Bloem te zeggen: over de droom van het lieve leven en de zoete dood. Voor Bloem valt die droom uiteen in drie jaargetijden: het voorjaar, de herfst en de dood. De zomer is opmerkelijk afwezig. Voor Bloem was er geen zomer.

Bovendien hebben de jaargetijden voor Bloem een andere gevoelstemperatuur dan voor de gemiddelde Nederlander. Het voorjaar van Bloem is geen lammetjes-lente. Het is kaal en koud en doods. Voel maar,

En als de voorjaarswind de lege kruinen

Doet beven van de' onheuchelijken nood

Tot bloeien boven woekerende puinen

Suizelt de onsterfelijke dood.

(Uit: `Het Kerkhof aan het Meer' uit de bundel Media Vita)

Zo erg kan het zijn. En erger nog, het is veel erger geweest. Voor Bloem was de lente een jaarlijks opkomende pijn van geknakt verlangen. Er was telkens weer die `barre voorjaarslucht', die `koude voorjaarsnacht' en dat `prille verlangen dat gesmoord is'.

In het werk van Bloem ontbreken de verliefde pubergedichten, de verzen aan het eerste meisje. De eerste bundel van Bloem verscheen pas toen hij 34 jaar was. Toen was de lente al dik voorbij. Wat dan rest, is terugkijken en terugmokken op die ongemakkelijke jeugdpuistjestijd, waarin alle jongens in het voorjaar naar buiten trokken, en hij niet. Bang voor emoties, trok hij zich `allengs in zichzelf terug'. Wat hij in zijn jeugd miste was `die makkelijke ontroerbaarheid van het hart, dat nog niet heeft geleerd te zwijgen, maar vrolijk bij de breuk der dromen schreit.'

Dat is wat hij in zijn lente niet kon uiten. Hij was wel geroerd en hij was wel verliefd, maar niemand heeft het gemerkt. Zijn jeugd was er een van gemiste kansen. En later, als hij zijn gevoelens naar buiten durft te brengen, bestaat het voorjaar van vroeger niet meer. De lente van Bloem is een lente op leeftijd.

Jasses, denkt hij, wéér die lente:

Weer de lente. De verbijsterde ogen,

Falende in het winters-bleek gezicht,

Zien de huizen en de bruggebogen

Op en neer gaan in het wankel licht.

Zien en zien niet door de duizelingen

Van de weer oneindige rivier;

Zon en water kruisen daar hun klingen

En het hart is bonzend en niet hier.

Weer een lente en de bitter-eigen

Zilte geur, die langs de kade glijdt.

Is 't tij, dat stroomopwaarts komt stijgen –

Of de zeelucht van de eeuwigheid?

(Uit: `Eerste lentedag' uit Media Vita)

Hij raakt maar niet gewend aan het nieuwe scherpe licht. Hij knippert met zijn ogen en kijkt `winters-bleek' naar de andere oever van de rivier: naar vroeger, waar zijn hart is achtergebleven. Dan gaat hij over in indianentaal: `Zien en zien niet', maar ruiken wel: de geur van vroeger, van alleen zijn onder de dekens, de `bitter-eigen zilte geur'.

Gij waart een kind, dat nachten wakker lag.

Een knaap, die ziek ging van zijn eerste dromen,

Een jongeling, wiens drang was elke dag

Gloeien als vuur en als wild water stromen.

(Uit: `Uitzicht' uit Media Vita)

Die ellendige jeugd van vroeger: niet kunnen slapen, ziek wakker liggen en die tomeloze drang, die hij niet durft te volgen.

En nu, als man van veertig, van vijftig, van zestig?

En nu? Een man staart zonder woord en zucht

Naar 't hooploos uitzicht van zijn laatre dagen:

Een kersen zon, die smelt – een najaarslucht –

Een middagzee, die in den mist vervagen.

(Uit: `Uitzicht' uit Media Vita)

Daar begint de herfst. Stormen, wind en regen? Niets van dat alles. Een kersenzon die smelt en een mist waarin alles vervaagt. Nevelige vlinders en verdoezelde bossen. Het najaar is de stilte, rust en eenzaamheid. Alles wat Bloem altijd heeft verlangd. Het najaar is `niets meer hoeven', met alleen nog de herinnering aan wat verdwenen is en nooit meer terugkomt.

Het hart verlangt niet meer en begeert niet meer.

In het gedicht `Herfstdag' schetst Bloem de stilte van de bruine hoven, waarin de tuinders werken; alles is samengebracht onder een overal gelijke paarlen hemel. In die herfstige omgeving stelt hij de kernvraag van het leven:

Wat dan te doen, grijs landschap, grijze luchten,

Uit de oudste dromen van de ziel gemaakt,

Wat met dit hart te doen, welks diepste zuchten

Al haast niet meer naar deze dingen haakt?

(Uit `Herfstdag' uit Media Vita)

De dichter geeft het op. Hij haakt niet meer. De tijd van vroeger is `voorbij, voorbij o en voorgoed voorbij.' Vanaf nu is het `altijd november, altijd regen, – altijd dit lege hart, altijd.'

Bloem heeft zijn levensloop als volgt gekarakteriseerd:

En nu, na het begeerde, het ontbeerde,

Na de onrust en het levenslang geduld:

Een steen, door 't groen gebarsten, en verweerde

Letters en cijfers, die de regen vult.

(Uit: `Grafschrift' uit Media Vita)

In het zicht van de dood begint voor Bloem een nieuwe fase. Na het begeren en het ontberen komt het bezweren. Want ook het sterven is niet zonder contradicties. Bloem is als de dood voor de dood, maar hij beschrijft het als het mooiste jaargetijde, als een opluchting. `Wat geeft het of wij hier of elders sterven?' hoor je hem vragen. Het is of iemand hardop tegen zichzelf praat om geen angst te voelen. Flink zijn, we gaan allemaal dood. `Leven is altijd: naar de dood toe gaan'. `Men begint met het leven te aanvaarden, en eindlijk aanvaardt men de dood'.

Het zijn de bezweringsformules van een man die te laat ging leven en al te vroeg ging sterven.

In die tussentijd – in zijn bundel Media Vita – schreef Bloem de mooiste verzen van de Nederlandstalige poëzie. Zijn taal is dichtbij, maar net niet bereikbaar. Koekhappend proberen we de woorden te pakken. Ze dansen en springen boven onze hongerige blikken. Het is zoals J.C. Bloem het verwoordt in zijn allermooiste gedicht:

Het leven houdt zijn wonderen verborgen

Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Soms ontvouwt het leven zijn wonderen. Dat gebeurt bijvoorbeeld tijdens het lezen van de gedichten van J.C. Bloem. En op die momenten voel je ook, opeens, de warmte van de zomer.

Van 29 mei t/m 7 november is in het Letterkundig Museum in Den Haag de tentoonstelling `Altijd dit lege hart' over J.C. Bloem te zien.