IJzingwekkend zelfvertrouwen

De personages op de schilderijen van Anton van Dyck zijn hun eigen God. Deel 21 van Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Venetia Stanley stierf zonder dat iemand het merkte. Haar dienstmeid vond haar op de ochtend van 2 mei 1633. De jonge vrouw, door haar huwelijk Lady Digby, lag in dezelfde houding als waarin ze zich de avond tevoren te ruste had gelegd. Haar gezicht was nog even lieflijk en vredig, alleen was ze nu dood. Drieëndertig was ze. Niemand wist wat er gebeurd was.

Haar man, Sir Kenelm Digby, besloot een portret van haar op haar sterfbed te laten schilderen. Hij gaf de opdracht aan Anton van Dyck, portretschilder bij uitstek, die zijn vrouw (en hemzelf) bij leven al een paar keer geschilderd had. Twee dagen na haar dood ging Van Dyck aan de slag.

Zijn portret van deze dode vrouw is tot half augustus te zien op de grote Van Dyck-tentoonstelling in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, waar het naast een doek hangt waarop een stralend levende Lady Digby als Prudentia is afgebeeld. Het is een vreemd, wezenloos portret. Zo subliem uitgesproken als de gezichten op de meeste portretten van Van Dyck zijn, zo vaag en bijna vormeloos is de uitdrukking op het gelaat van de dode Lady Digby. Dat gebrek aan zeggingskracht heeft niets te maken met het feit dat ze niet meer leeft, want Van Dyck schilderde geen geloofwaardig lijk. Toen hij bij haar kwam, was ze al twee dagen dood en kan ze in weinig geleken hebben op de schone slaapster die Van Dyck van haar maakte. Er is duidelijk een mooi verstilde lieflijkheid nagestreefd, en die zie je ook wel, maar ontroering blijft achterwege. Het schilderij doet onaf aan, het is zelf doods, alsof de schilder niet goed wist wat hij ermee aan moest. `Het is dunnetjes gepenseeld en helemaal niet keurig afgewerkt', meldt de catalogus. De directe aanwezigheid van de modellen op de andere portretten ontbreekt, de talloze sprekende details die een Van Dyck een Van Dyck maken. Er is een grote afstand tussen de schilder en de vrouw in het bed. De dood maakte de schilder onthand.

Van Dycks onmacht in het aangezicht van de dood zegt veel over hem. Zijn grote schilderijen zijn niet zijn allegorieën, of zijn vele bijbelse voorstellingen, maar zijn portretten van levende modellen – mannen, vrouwen en kinderen. Deze mensen waren rijk en machtig en de schilder liet hen gloriëren in hun eigenwaan. Niemand anders dan Van Dyck heeft de wereldse zucht naar macht en aanzien zo onwerelds mooi weten af te beelden.

De mensen op zijn portretten kennen geen twijfels. Hun trots torent hoog boven hen uit. Ze worden niet geplaagd door angst of schuldgevoelens. Hun wereldse façade vertoont geen barsten en scheuren, in hun achtergrond houden zich geen voortekenen van rampen schuil, geen duistere symbolen die de betrekkelijkheid van hun bestaan onderstrepen. God en de duivel zijn afwezig. Nergens vind je een spoor van sterfelijkheid. Hun vlees is onvergankelijk gemaakt.

En toch, dat is het wonder, zijn ze mensen. Het zijn individuen, je zou ze zo weer herkennen wanneer je ze ergens anders tegenkwam. Ongetwijfeld flatteerde de schilder hun gezichten, maar vanaf de muren van het museum kijken ze je aan met een directe aanwezigheid, die je naar adem doet snakken. Deze geschilderde mensen lijken meer levend dan de levende mensen die naar hen kijken.Neem Van Dycks befaamde kinderen: volmaakte mini-mensen met een ijzingwekkend zelfvertrouwen in hun ogen, dat de toeschouwer doet verkruimelen. Sommige van Van Dycks vrouwen zijn adembenemend in hun ongenaakbare stupiditeit.

Het is onsterfelijkheid zoals de opdrachtgevers van Van Dyck zich die gewenst zouden hebben. Ze zijn niet vereeuwigd vanwege hun godsvruchtigheid, of hun vrijgevigheid, of om hun vrijheidslievendheid. Niet eens om hun schoonheid. Van Dyck verfraaide hen, maar richtte zich daarbij niet op een of ander abstract erotisch ideaal; deze mensen moesten vooral op henzelf lijken.

Maar zo gezien lijken ze ook veel op onszelf. Wat de portretten van Van Dyck willen laten zien, is dat het doel van het bestaan het bestaan zelf is, dat het individu er enkel en alleen voor zichzelf is. Het is een wereld zonder God die hij afbeeldt, zonder hemel of hel, maar niet zonder transcendentie: het zijn de zaken die in de christelijke cultuur nu juist bij uitstek als ijdel en vergankelijk gelden hoogmoed, bezit, rijkdom, macht, eigenwaan die zijn modellen hun onsterfelijkheid geven. Geen wonder dat Van Dycks Jezus op het doek Het cijnsgeld zo bleek afsteekt bij zijn koningen en prinsen en adellijke dames. Deze mensen zijn hun eigen God, kijk maar goed naar hun gezichten.

Een wereld die aan de wereld genoeg heeft, het materialisme als geloof. Het is deze wensdroom, het aanzien als ideaal, die een groot deel van de planeet in zijn greep houdt, nu alle grote ideeën en ideologieën in de afgelopen eeuw een harde dood zijn gestorven. Het protserige machtsvertoon van de grote zakenmannen en industriëlen, de verheerlijking van zuiver materialistische beroepen als advocaat en beursspeculant of het fotomodel met zijn astronomische gages, de dwingende, bijna ideologische kracht van de lifestyle en het design, met zijn strakke vormen, zijn zelfbewuste zwierigheid en doelbewust vertoon; het heeft de afgelopen decennia allemaal steeds meer betekenis gekregen, omdat er niet zoveel anders meer is. Cultuurcritici zien er enkel vervlakking in, in dat klakkeloos loslaten van alle grote woorden in ons leven, in al dat eindeloze prijzen van de gladde oppervlakten van ons bestaan. Maar de verbetenheid waarmee het gebeurt, geeft al aan dat juist in die door-en-door materialistsche wereld wel degelijk zoiets als een essentie van ons bestaan wordt gezocht.

Is die er? De portretten van Van Dyck met hun bovennatuurlijke vitaliteit, scheppen de illusie van wel. Dat maakt hem tot een groot kunstenaar, vooral omdat hij het verlangen naar wereldse ongenaakbaarheid zo bij uitstek menselijk laat zijn. Hij beeldt geen monsters af, maar pin-ups van zelfbewustzijn. Maar juist wanneer je jezelf als het onderwerp van zo'n portret probeert te zien, glanzend van trots, blakend van wereldse macht, besef je hoe broos die illusie is. Je denkt aan slapeloze nachten, aan leugens uit zelfbescherming, aan de elkaar tegensprekende stemmen in je hoofd, aan angstzweet en tranen. Twijfel steekt de kop op, en angst, angst om te verliezen wat je hebt, om je dierbaren te verliezen, en jezelf. Ten slotte zie je dan vanzelf wat Van Dyck niet kon, of eerder niet wilde zien: achter de lieflijke glimlach op het rozige gezicht van Lady Digby verschijnt, afschuwwekkend en honend, de grijns van een bleke doodskop.