Hoe twee goden dobbelen om de ziel

Je komt aan op een vliegveld van een vreemd land waarvan je de taal niet spreekt en waar je niemand kent. Voorzover je weet, heb je niets op je kerfstok, maar niettemin word je er bij de paspoortcontrole uitgepikt omdat Groot-Brittannië om je uitlevering heeft verzocht in verband met drugssmokkel. In afwachting van je voorgeleiding word je in een cel gesmeten, overgeleverd aan jezelf, ten prooi aan onzekerheid die uitgroeit tot paniek. De vraag is hoe je je in zo'n situatie gedraagt en wat er van je over is als na een week alles op een misverstand blijkt te berusten en je weer wordt vrijgelaten.

Ik vermoed dat veel mensen zich wel eens bezighouden met dergelijke gedachte-experimenten, hetzij met zichzelf als onderwerp, hetzij met een ander, bij voorkeur een uiterst beschaafd en gepolijst persoon: blijft zo iemand zichzelf of verliest hij alle controle?

Daphne Meijer, die eerder verraste met de romans Resten van de eeuw (1993) en Het plezier van de duivel (1995) schreef over een dergelijke casus de novelle De bezoeking. De Amerikaan John Maniteau Cooper, die in dienst van de exclusieve reisorganisatie Quiet Sands Corp de wereld afstruint om vakantiebestemmingen voor de machtigsten en beroemdsten der aarde te ontdekken, strandt op een zondag op Schiphol. De Britten hebben om zijn uitlevering verzocht en in afwachting van een onderzoek belandt hij in een cel in Hoofddorp. Precies een week later komt hij vrij, maar intussen heeft Daphne Meijer hem van dag tot dag geobserveerd en weten we vrijwel alles van hem. Op Cooper, een keurige gescheiden en kinderloze Amerikaan, valt nauwelijks iets aan te merken. Hij is welgemanierd en proper, beschikt over een goede smaak, doet zijn werk conscientieus en heeft geen duistere kanten. Dodelijk saai dus.

Wat Cooper niet weet – en de lezer aanvankelijk ook niet – is dat zijn aanhouding in scène is gezet door de twee broers Ol en Dio, die zijn reactie op het verblijf in de cel tot inzet van een weddenschap hebben gemaakt. Omdat de broers goden zijn (Apollo en Dionysos) kunnen ze hem moeiteloos en ongezien bespieden. Maar beïnvloeden kunnen ze hem niet, omdat de mens, zoals ze heel goed weten, nu eenmaal beschikt over een vrije wil.

Al eeuwenlang twisten Ol en Dio met elkaar over de vraag of er een volmaakt apollinische mens bestaat, iemand die lijkt op de god van de maatvoering en die zich zelfs door de grootst mogelijke tegenslag niet uit het veld laat slaan. Volgens Dio, de god van de drank en de roes is zo'n mens niet te vinden, Ol weet zeker dat dit wel het geval is. Om te ontdekken wie van hen gelijk heeft, gaan ze op zoek naar een mens met een ogenschijnlijk apollinische geest, die ze bij toeval tegenkomen op een wijnproeverij in Israel. Ze volgen hem enige tijd tot ze hem, ten behoeve van hun experiment, in Amsterdam laten arresteren. Hun zusje Venus treedt op als arbiter die de inzet van de weddenschap formuleert: als John na zijn vrijlating rustig incheckt in een hotel, een whisky drinkt, CNN aanzet en nog wat administratieve handelingen pleegt, wint Ol. Maar mocht hij zich gaan bezuipen, naar de wallen snellen, drugs kopen of iets anders ondernemen wat hij nog nooit heeft gedaan, dan wint uiteraard Dio.

Generaties letterenstudenten die – al was het maar om Gorters Mei te kunnen analyseren - Die Geburt der Tragödie aus der Geiste der Musik hebben moeten lezen, waarin Nietzsche de tegenstelling tussen Apollo en Dionysos behandelt, kunnen vermoeden hoe het met de proefpersoon zal aflopen. Op het eerste gezicht wint Dio de weddenschap glansrijk, omdat John zich, na zijn vrijlating, in het nachtleven stort en zich aan drank, drugs en seks bezondigt. Het hoofdstukje waarin zijn uitspattingen de revue passeren behoort tot het mooiste van dit smakelijke boekje. Net als haar naamgenote uit de Griekse mythologie wijst Daphne Meijer Apollo af. Haar voorkeur gaat uit naar Dionysos, die niet voor niets als ik-figuur en verteller optreedt in De bezoeking. `Een mens leeft niet bij Apollo alleen', laat ze Dio zeggen. `Ipsa sibi virtus praemium: de deugd is slechts zichzelf tot beloning.'

Toch komt ook Ol aan zijn trekken. Als de roes van de uitspatting is uitgewerkt en John Cooper zichzelf terugvindt in de armen van de Nederlandse fotografe Dorith Flesschendrager – de hoofdpersoon uit Daphne Meijers eerste boek – heeft hij een besluit genomen dat zijn leven totaal zal veranderen en voorgoed in evenwicht zal brengen. De twee goden komen tot een compromis: de mens kan niet zonder het dionysische, maar ook niet zonder het apollinische, zoals er geen vrijdagavond is zonder maandagochtend. Morrend stemt Ol hiermee in, alleen maar ontevreden omdat hij niet begrijpt waarom zijn broer altijd de vrijdagavond mag vertegenwoordigen en hij voor eeuwig de maandagochtend moet zijn. Maar zo is nu eenmaal de orde der dingen.

Daphne Meijer schreef haar fraaie en bij tijd en wijle ook geestige novelle in opdracht van het Amsterdams Juridisch Genootschap `Notariële Vereniging' en ik zou wel eens willen weten wat die opdracht precies inhield. Als zij tot taak had de geestesgesteldheid te beschrijven van iemand die ten onrechte slachtoffer wordt van de Nederlandse justitie en machteloos moet toezien hoe hij van zijn rechten wordt beroofd, dan is ze daar zondermeer in geslaagd. Maar dankzij de vondst van de twee goden die dobbelen om de ziel van de getergde gedetineerde stijgt het verhaal uit boven een in romanvorm gegoten strafrechtelijk traktaatje. Daphne Meijer behandelt – luchtig maar trefzeker – filosofische en psychologische vraagstukken en zet en passant een persoon neer die, ondanks (of dankzij?) de grillen van het lot zichzelf leert kennen en zich staande houdt.

Daphne Meijer: De bezoeking. Nijgh & Van Ditmar, 122 blz. ƒ25,75