Het dubbelzinnige leven van een bastaard

Chamfort (1740-1794) wordt nog alleen gelezen vanwege zijn aforismen, een genre dat tegenwoordig – ondanks een gunstige uitzondering als de Chamfort-bewonderaar Cioran – een twijfelachtige reputatie geniet. In het slechtste geval leidt het tot fletse kalenderwijsheden, in het beste geval tot inzichten die door hun spitse, vaak paradoxale formulering even aan het denken zetten.

Chamfort vergeleek aforismen of maximes met `uittreksels', ogenschijnlijk bestemd voor middelmatige of luie lezers. Zulke lezers, meende hij, zullen altijd geneigd zijn ze een algemene geldigheid toe te kennen die de schrijver, tenzij hij zelf eveneens middelmatig is, nooit heeft gepretendeerd. Superieure geesten daarentegen zullen beseffen dat aforismen nooit universele waarheden bevatten; zij vormen het residu van een lange reeks particuliere observaties, waarin zich onwillekeurig het leven van de schrijver verraadt. Om hun waarde te beoordelen strekt kennis van de biografie dus tot aanbeveling.

In het geval van Chamfort is dat laatste beslist het geval. Een probleem is alleen dat tot voor kort zo weinig van zijn leven bekend was. Het leek wel of het in zijn geheel was opgegaan in de 1340 fragmenten van de Maximes, pensées et caractères. Met zijn driemaal bekroonde Chamfort uit 1988, dat nu vertaald is in uitstekend leesbaar Nederlands, heeft Claude Arnaud de biografie haar rechten teruggegeven en eindelijk ook het leven van de schrijver aan de vergetelheid ontrukt.

Dankzij Arnaud wordt het mogelijk Chamforts aforismen beter te plaatsen. Bovendien laat hij ons kennismaken met een ingewikkeld en daardoor intrigerend mens. Een individualist, een misantroop en een cynicus, maar ook een overtuigd revolutionair, die op 15 november 1793 vergeefs probeerde zelfmoord te plegen. Achtenveertig uur had Chamfort in de gevangenis moeten doorbrengen, en dat was voldoende om er nooit meer naar te willen terugkeren. Toen dat toch dreigde te gebeuren, verwondde hij met een pistoolschot zijn rechteroog en ging met een scheermes zijn hals, borst, dijen en kuiten te lijf, om op het laatste nippertje te worden gered. Zijn commentaar: `Dat krijg je nu wanneer je onhandig bent: niets lukt je, zelfs zelfmoord plegen niet.' Een paar maanden later bezweek hij aan zijn verwondingen – zonder opnieuw in het cachot terecht te zijn gekomen.

Na zijn dood werden de meeste aforismen, die hij sinds een aantal jaren op kleine papiertjes placht te noteren, ontvreemd en sindsdien zijn ze niet meer teruggevonden. Wat we van Chamforts magnum opus kennen, is niet meer dan een verzameling `wrakstukken', zoals zijn jonge vriend Ginguené het noemde, die ze in 1795 publiceerde in de vierdelige uitgave van Chamforts Oeuvres.

Ginguené veranderde ook de titel. Oorspronkelijk had die Produits d'une civilisation perfectionnée moeten luiden, wat van de nodige ironie getuigt gelet op de illusieloze, pessimistische strekking van de inhoud. Uit deze titel spreekt de invloed van Rousseau, die zich even fel tegen de `vervolmaakte beschaving' van de achttiende eeuw had gekeerd. Arnaud heeft het over de `spektakelmaatschappij' van het Ancien Régime, waarin schijn en toneelspel de natuurlijkheid van de mens hadden verdrongen. De bijzondere positie die Chamfort in deze maatschappij innam, verklaart veel van zijn zwartgallige visie op de wereld en de mensen van zijn tijd.

Geboren werd hij in 1740 te Clermont-Ferrand als bastaard, de zoon van een hoge adellijke dame en een nederige kanunnik. Ondergebracht bij een kruideniersfamilie, waar hij de plaats innam van een bij de geboorte gestorven zoontje, kreeg hij op zijn doopakte ook diens naam: Sébastien Roch Nicolas, waaraan hij twintig jaar later op eigen gezag `de Chamfort' toevoegde. Een pretentie van adeldom die niet ongewoon was, maar die gezien Chamforts afkomst een zeer particuliere geladenheid krijgt. Via zijn naam eiste hij alsnog zijn plaats in de aristocratie op.

In de praktijk lukte het hem via zijn literaire talent de aristocratische monde binnen te dringen. Chamfort behoorde tot de jongere garde van de Verlichting, die in de tweede helft van de achttiende eeuw profiteerde van de door voorgangers als Voltaire, Diderot en D'Alembert gewonnen strijd tegen vooroordeel en bijgeloof. De Verlichting was in de mode geraakt en met nauwelijks nog strijdbaar te noemen gedichten, toneelstukken, verhandelingen en een briljante conversatie wist Chamfort niet alleen de Parijse salons en de Académie Française te veroveren, maar ook het hof in Versailles, met alle jaargelden en erebaantjes vandien.

Om zijn tragedie Mustapha et Zéangir zou Louis XVI in 1776 tranen van ontroering hebben geschreid. Minder enthousiast reageerde de Parijse kritiek die hem – terecht – van plagiaat beschuldigde, met als gevolg dat Chamfort zich een tijdlang gekrenkt uit de hoofdstad terugtrok. Gevoegd bij de geslachtsziekte die hem in 1764 had getroffen en die zijn uiterlijk had geruïneerd, moet dit echec de misantroop in hem hebben doen ontwaken. Chamfort nam zich voor niets meer te publiceren en nog alleen voor zichzelf te schrijven.

Zo zijn in de loop van de jaren tachtig de aforismen ontstaan, die – anders dan zijn overige literaire werk – het nageslacht nog altijd bezighouden. Onafhankelijkheid werd zijn parool, wat hem overigens niet verhinderde de hem toegekende jaargelden te blijven toucheren. Ook het zelfgekozen isolement pakte in de praktijk minder streng uit dan hij in zijn notities doet voorkomen. Chamfort brak niet met de invloedrijke hovelingen die hem protegeerden, al getuigen zijn aforismen in het geniep van de rancune waartoe deze onmisbare afhankelijkheid hem inspireerde. Zijn weldoeners vergelijkt hij met tandartsen. `Je houdt je voor dat ze je goed hebben gedaan, dat ze je van een kwaad hebben verlost, maar je herinnert je de pijn die ze je hebben gedaan, en je bemint ze nauwelijks met tederheid'.

Misantropie en rancune gaan bij Chamfort hand in hand. En dat maakt het minder vreemd dat hij eind jaren tachtig de zijde van de revolutionairen kiest, wanneer een financiële crisis het bewind van Louis XVI op de rand van de afgrond brengt. Ook voor de bastaard die hij is, blijken de Revolutie en haar afschaffing van de traditionele standsverschillen een uitkomst. `We moeten de maatschappij van het begin af aan overdoen', had hij al in een van zijn aforismen geschreven. In 1789, na de val van de Bastille, lijkt dat voor het eerst mogelijk te zijn geworden.

Achter de schermen treedt hij op als de `souffleur' van Mirabeau en Talleyrand, terwijl hij Sieyès de titel van zijn befaamde pamflet Qu'est-ce que le Tiers Etat zou hebben ingefluisterd. Daarna wordt hij meegesleurd door de maalstroom van de Revolutie, die hem diverse duizelingwekkende – door Arnaud zorgvuldig onderscheiden – politieke `metamorfosen' doet ondergaan, totdat hij in augustus 1792 door de Girondijnse minister Roland wordt benoemd tot directeur van de Bibliothèque Nationale.

Voordien had het geweld van de Revolutie Chamfort geen enkel protest ontlokt, integendeel. `Vandaag moeten wij uit menselijkheid wreed zijn', verklaarde hij na de bloedige bestorming van de Tuilerieën, die het einde van de monarchie inluidde. Maar wanneer in maart 1793 de Jakobijnse Terreur een aanvang neemt, wordt het hem blijkbaar te veel, vermoedelijk omdat zijn Girondijnse beschermheren tot de eerste slachtoffers behoren. Na de moord op zijn vijand Marat door Charlotte Corday verzwijgt Chamfort zijn vreugde niet, en dat resulteert in een aanklacht van een ontevreden werknemer – het begin van zijn eigen einde.

Achteraf is de radicaliteit van zijn revolutionaire engagement, die hem op zeker moment tegen de Académie Française en zelfs tegen de literatuur als zodanig doet stelling nemen, het meest verbazingwekkende aan Chamforts leven. Hoe heeft deze verwende favoriet van Louis XVI en Marie-Antoinette zo'n onverzoenlijke vijand van het Ancien Régime kunnen worden? Hoe heeft deze pessimist ooit kunnen geloven in een revolutionaire wedergeboorte van de mensheid? Hier begint het raadsel Chamfort, dat Arnaud in elk geval voor een deel oplost door te wijzen op de dubbelzinnigheid die het leven van deze bastaard kenmerkt.

Van meet af aan school in de misantroop Chamfort ook een apocalypticus of, zoals Arnaud het naar diens vroege ode Les Volcans noemt, een `vulkaan', die slechts wachtte op een gelegenheid om uit te barsten en alles met zijn lava te vernietigen, teneinde alles te kunnen vernieuwen. Dat hij in werkelijkheid vooral zichzelf vernietigde, is uiteraard niet in tegenspraak met de misantropie, die bij Chamfort – zoals bij de meeste misantropen – ook een stevige dosis zelfhaat bevatte.

Tegelijkertijd was deze zelfdestructie het ultieme bewijs van zijn individualisme, zijn onwil om zijn lot door anderen te laten bepalen. Het is een houding waarop in tijden van revolutie een dodelijke prijs kan komen te staan. Je krijgt de indruk dat juist hierin voor Arnaud de uitdagende aantrekkelijkheid van Chamforts leven is gelegen. In de huidige `tijd van dociel individualisme' kan Chamfort daarom nog altijd `een bijzonder stimulerende leerschool van verzet' zijn, schrijft Arnaud, en dat stemt hem mild ten aanzien van het gemak waarmee Chamfort lange tijd het revolutionaire bloedvergieten heeft geaccepteerd. Alsof zijn principiële zelfmoord hem schoon wast van die onmiskenbare smet.

Arnaud is er duidelijk niet op uit om Chamfort te verketteren, evenmin heeft hij een `simpele morele rehabilitatie' willen schrijven. Eerder laat hij de complexiteit van dit leven, met zijn vele tegenstrijdigheden, zo volledig mogelijk tot uiting komen. Dat maakt de lectuur van zijn boek, dat biografie en essay in één is, opwindend, zij 't niet altijd even eenvoudig, aangezien Arnaud met zijn bevlogen verteltrant zelden de moeite neemt alle historische ins and outs voor de lezer uit te spellen. Je moet er het hoofd goed bijhouden, maar dan lees je ook een biografie die vanwege haar empathische betrokkenheid en haar psychologische, historische en literaire diepgang voorbeeldig mag heten.

Claude Arnaud. Chamfort. Een biografie. Uit het Frans vertaald door Edu Borger. De Arbeiderspers. 407 blz. ƒ79,-