Harold Pinter over cricket en politiek

Een van de `verscheidene stemmen' waarmee Harold Pinter spreekt in de nieuwste uitgave van zijn verspreide geschriften is die van de dichter. Daarmee voert hij ons terug naar vervlogen tijden toen zijn toneelstukken nog bijna onbegrijpelijk leken. Wat was het voor een toestand in The Birthday Party, wie waren die broers van The Caretaker, hoe haalde de vrouw van de filosoof in The Caretaker het in haar hoofd om zich als prostituee te laten gebruiken? De tijden zijn veranderd in dertig jaar en wij met hen. Tegenwoordig stelt het toneel van Pinter haast niemand meer voor raadsels.

De gedichten daarentegen uit de jaren vijftig en zestig zijn soms ontoegankelijk gebleven, soms zelfs onwrikbaar gesloten. Hoe erg dat is, hangt af van de taalbeheersing en de verbeelding van de lezer. Regels als:

The sound of light

Has left my nose.

I whisper in

My deafest ear

lijken mij te veel gevergd, bij alle respect voor Pinter als beeldvormer. Dit is een uitzondering; meestal is de ontoegankelijkheid met aandacht en herlezing te doorbreken.

Echte Pinterianen kennen zijn vroege gedichten allang: zij zijn in 1971 gebundeld in Poems, en daarna vermeerderd verschenen in 1978 en 1986. Het zwaarste werk van interpretatie hebben deze kenners achter de rug. De latere gedichten zijn minder gedrongen van constructie en stellen zich in veel gevallen meteen open.

Night has fallen.

The rain stops.

What will happen next?

Het allerduidelijkste late gedicht kan Nederlandse lezers bekend voorkomen: `American Football' uit 1991, naar aanleiding van de Golfoorlog. Dat vonden de beste Engelse kranten te scherp en ruw om te publiceren, zoals Pinter in een van zijn prozastukken in herinnering brengt – het is in Engeland toen alleen verschenen in een klein links tijdschrift, en vervolgens op grotere schaal in NRC Handelsblad.

We blew them into fucking shit.

They are eating it.

In Engeland wordt zulk woordgebruik nog steeds een beetje grof gevonden; in Nederland is het alledaagse scholierentaal.

Gesloten of doorzichtig, de poëzie klinkt als de absoluut nauwkeurige weergave van wat de dichter wil. Ook iemand die ongevoelig blijft voor de gedachten ervan en voor de beelden waarin zij verwerkt zijn moet de schaduwloze lijnen die hij aanbrengt bewonderen. Met ieder van zijn verscheidene stemmen concentreert hij zichzelf en zijn lezer.

Hij wint evenveel respect wanneer hij in de afdeling Prose de stem van een verteller aanneemt. Er zijn een paar strenge verhalen uit de jaren vijftig over een ik-figuur en zijn voor de lezer onzichtbare bezoeker Kullus; en enkele ontspannen verhalen met tekenen van zelfspot, waar de woorden ook weer rotsvast op hun plaatsen staan.

In de andere twee rubrieken van het boek richt Pinter zich tot de lezer zonder de beschutting van literaire stijlvormen. In het eerste deel staan inleidingen, interviews en herinneringen. De meest veroverende van de herinneringen vind ik zijn gedenkstuk over de cricketer Arthur Wellard, een veteraan van Somerset met wie hij in 1974 nog speelde in zaterdagmiddagwedstrijden. Dat hij een cricketliefhebber is, was al vaak aan het licht gekomen. Het bijzondere van dit stuk is hoe natuurlijk hij zich uitdrukt als ploeggenoot en als een van de jongens met verhalen aan de bar na afloop; bovendien hoe zorgvuldig hij het gedrag en de toon van de oude Wellard weergeeft. Deze Pinter is het toonbeeld van een geschikte gezellige kerel, in aanvulling op de rol van greatest playwright of our time waarin wij hem sinds jaren kennen.

Nog weer anders, maar al langer vertrouwd, is de stem van de politieke Pinter die meestal aanvallen doet op de Amerikaanse buitenlandse politiek: in Nicaragua, El Salvador, Cuba, het Midden-Oosten. Ook daarover schrijft hij voorbeeldig gestelde stukken, gedocumenteerd en beredeneerd. Het gebrek ervan is hun eenzijdigheid, waarbij het lijkt of alleen bedenkelijke Amerikaanse praktijken de samenwerking van de goedwillende rest van de wereld verstoren. Haast niemand zal dat onverdeeld geloven, Pinter zelf ook niet, en partijdigheid boeit nooit meer dan twee of drie artikelen lang, daarna zou er weer iets anders moeten komen.

Na aftrek van een paar punten voor zijn engagement laat Pinter nog een eminente indruk na met dit boek. Dat wij hem er persoonlijk in leren kennen, zou te veel gezegd zijn; het vertelt bijna niets over hemzelf. Waar het voor dient is om zijn talenten in het meervoud te onderscheiden en zijn stem, of stemmen, duidelijker te horen. Van hieruit leidt de weg de toekomst in naar zijn biograaf, of biografen.

Harold Pinter: Various Voices – Prose, Poetry, Politics 1948-1998. Faber & Faber, 205 blz. ƒ67,65