En toch zo rijk gebleven

Nederland heeft 185.000 miljonairs, rekende het CBS vorig jaar uit. Ruim 100.000 meer dan in 1990. Oorzaak: hoge aandelenkoersen, hoge huizenprijzen. Tel je alle auto's, sieraden, postzegelverzamelingen en levensverzekeringen mee, dan is Nederland nog veel rijker: 500.000 miljonairs.

Maar zijn er in Nederland meer rijken dan een eeuw geleden?

Journalist Jan Smit (ANP, Intermediair, HP/de Tijd) rekent in De nieuwe rijken voor dat er in 1900 vierhonderd miljonairs waren, voornamelijk grootgrondbezitters, handelaren, kooplieden en industriëlen. In guldens van nu zouden die vierhonderd van toen ieder 20 miljoen bezitten. Op dit moment zijn er in Nederland 1.300 mensen met 20 miljoen. Ruim drie keer zo veel als in 1900. Maar we hebben hier nu ook ruim drie keer zo veel inwoners. Niet meer rijken dus.

Andere vraag. Zijn er in Nederland meer zwervers dan een eeuw geleden?

Journalist Bert Voskuil (Nieuwe Revu) maakt in Dakloos geen rekensommen. Hij beschrijft het leven van een groepje daklozen in Haarlem. Maar de suggestie is dat het er méér worden, dat het probleem dat hij behandelt érnstig is. Die suggestie wordt versterkt door het voorwoord van het Tweede-Kamerlid Jan Marijnissen van de Socialistische Partij. `Keek ik een paar jaar geleden nog gegeneerd de andere kant op wanneer ik een zwerver met zijn handen in een vuilnisbak zag graaien, nu heb ik het zo vaak gezien dat ik er niet meer van opkijk.'

Maar is het ook zo ernstig?

Met arm en rijk is het als met `de jeugd van tegenwoordig': vroeger waren de uitwassen misschien erg, maar nu zijn ze erger. Nu pas kennen pubers echt geen grenzen meer, nu pas weten hun ouders niet hoe ze hun geld moeten uitgeven aan nog mooiere keukens, nog duurderde vakanties. En nu pas lopen alle gekken op straat omdat we te ontaard of te gierig zijn geworden om ze nog fatsoenlijk op te bergen.

Onzin. Het is maar een kort poosje zo geweest dat alle getikte zwervers in principe in een inrichting zaten – maar dan wel gedrogeerd of vastgebonden in een dwangbuis. Zoals je ook maar heel kort echte huisvrouwen en echte kostwinners hebt gehad, en toch is het in het collectieve geheugen vroeger áltijd zo geweest.

In 1900 heetten zwervers landlopers en zwierven op straat, net als in 1800 en in 1700 en in 1600 – als ze tenminste niet waren opgesloten in het rasphuis. Als Dakloos iets laat zien, dan is het wel het tegenovergestelde van wat de auteur heeft bedoeld. Nederland is een keurig land. Een dakloze zwerft, maar in de regel toch niet langer dan van 's morgens acht tot 's avonds tien. En dan is er altijd wel ergens een opvang waar hij terecht kan. Hij krijgt schone lakens en zijn kleren kan hij inleveren – die krijgt hij 's morgens gewassen terug. Niet gestreken, schrijft Voskuil. En in de slaapzalen stinkt het. `Dan besef ik dat ik vrijwel niemand zijn sokken aan Peter heb zien geven om gewassen te worden.'

Voskuil is oprecht begaan met zijn onderwerp. Hij heeft de moeite genomen om `enige tijd mee te draaien in de schokkende wereld van de daklozen'. Maar hij wil het weten ook. Zijn eerste hoofdstuk noemt hij `Dakloos met Hendri'. En de eerste zin luidt: `Eigenlijk geniet ik wel van het milde voorjaarszonnetje, terwijl ik naast de dakloze Hendri zit in `zijn' portiek aan het deftige Kenaupark.'

Voskuil let te veel op zichzelf. Hij had er beter aan gedaan om van het hoofdstuk `De moord op het Begijnhof' een heel boek te maken. Dan had hij de beschrijvingen van zijn eigen belevenissen en gesprekken verder kunnen laten zitten. Die moord, op een vrouw van 69 door vijf zwervers, is interessant. Voskuil had tot leven kunnen brengen wat daar is gebeurd en en passant de Haarlemse daklozenwereld kunnen portretteren. Maar nee. We moeten het doen met verklaringen van advocaten. `Mijn cliënt was na de arrestatie heel emotioneel en ondersteboven. Hij huilde veel.'

Beschrijven in plaats van laten zien. Met geïnterviewden meepraten in plaats van afstand houden. Jan Smit maakt in De nieuwe rijken dezelfde missers. Niet in de hoofdstukken waarin hij tien categorieën rijken behandelt: wie zijn het, hoeveel zijn het en hoe komen ze aan hun geld? Daar is het alleen maar jammer dat Smit die feiten niet zakelijk beschrijft, zonder denigrerende of als grappig bedoelde woorden en zinswendingen. `Zwaargewicht binnen deze miljonairsenclave (Bloemendaal) is Pierre Vinken, oud-topman van Reed Elsevier en grossier in commissariaten en andere erebaantjes.'

Smit portretteert in zijn boek een aantal rijken en de een na de ander mag vertellen dat geld en luxe echt niet van wezenlijk belang zijn voor hun levensgeluk. `Dat vindt u misschien raar als je in zo'n dure auto rijdt, maar ik kan van de ene op de andere dag weer zonder' (Robert Moszkowicz, advocaat). Of dat ze alleen maar in die Mercedes 600 SL rijden omdat die auto zo functioneel is en niet om het prestige. `Als je 140.000 kilometer per jaar rijdt, kan een beetje comfort geen kwaad' (Hennie van der Most, pretparkeigenaar). Of die hun rijkdom uitsluitend beschouwen als blijk van erkenning. `Het streelt mijn ego in beperkte mate. Ik ga er niet van uit mijn bol, maar het betekent toch dat je iets hebt bereikt' (Gerard Sanderink, eigenaar van een aantal automatiseringsbedrijven). Jan Smit zet er zelf nog hier en daar `bescheiden als hij is' of `wat wil een mens nog meer' tussen. Als je lezers kromme tenen wilt bezorgen, moet je het zo doen.

Jan Smit: `De nieuwe rijken'. Miljonairs in Nederland. Prometheus, 164 blz. ƒ24,90

Bert Voskuil: Dakloos. L.J. Veen, 159 blz. ƒ24,90