Een agrarisch geval apart

Men kan De graanrepubliek van Frank Westerman vanuit verschillende invalshoeken bezien. Om te beginnen als een verslag van de geschiedenis die het oostelijk deel van de provincie Groningen de afgelopen eeuw heeft doorgemaakt. Maar het biedt ook een persoonlijk portret van Sicco Mansholt, ongetwijfeld de beroemdste politicus die in Groningen geboren werd. En ten slotte vormt het boek een algemene poging om inzicht te krijgen in de eigenaardigheden van het boerenbestaan. Dat alles maakt De graanrepubliek tot een rijk en belangwekkend boek. Of het in elk van deze drie opzichten even is geslaagd, is een andere vraag.

Als historisch verslag verschilt De graanrepubliek nogal van de gebruikelijke regionale geschiedenis. Zo treft men er geen cijfers over graanprijzen of demografische ontwikkelingen in aan. De auteur bestudeerde weliswaar de nodige literatuur maar baseert zich vooral op de vele gesprekken die hij vanaf 1994 heeft gevoerd met bewoners van Groningen. Dit levert een boeiend verhaal op over honderd jaar sociale geschiedenis dat zich op twee sociale groepen concentreert. Aan de ene kant zijn er de rijke herenboeren die zich toeleggen op de productie van graan. Ze zijn politiek veelal op het liberalisme georiënteerd en leggen van oudsher belangstelling voor wetenschap en cultuur aan de dag. Aan de andere kant is er een klasse van arme landarbeiders die gedwongen is zich te verhuren, eerst aan de boeren en later aan een enkele fabriek. Deze groep heeft zich vooral op het anarchisme en het communisme gericht.

De betrekkingen tussen beide groepen zijn wisselend. Op sommige momenten stonden ze uitgesproken vijandig tegenover elkaar, zoals in 1929 toen het tot een gewelddadige staking van landarbeiders kwam. Maar er waren ook perioden van toenadering. In de vorige eeuw gaven vooruitstrevende boeren bijvoorbeeld blijk van belangstelling voor de sociale kwestie. En het gold eveneens voor de jaren zestig van deze eeuw, toen aanhangers van CPN en VVD gezamenlijk actie voerden voor het inpolderen van de Dollard. Dan weer leefden beide sociale groepen vrij onverschillig langs elkaar heen, zoals in de jaren vijftig, toen het boerenbedrijf werd gemechaniseerd en het werkvolk zijn dagen in de kartonindustrie of werkloosheid sleet.

Lange tijd leken arbeiders en boeren tot elkaar veroordeeld. Pas in de loop van de jaren zeventig betrad een derde groepering het toneel: de biologen en natuurbeschermers die bezorgd waren over de kluut en andere vogels die door de plannen tot inpoldering worden bedreigd. De bevolking nam ze aanvankelijk niet erg serieus maar moest met lede ogen aanzien dat hun invloed groeide. Aldus werden de eens zo machtige graanboeren aan het eind van de rit de echte verliezers.

Sicco

Westerman zet deze geschiedenis op een verhalende manier uiteen. Dat heeft tot een informatief en lezenswaardig resultaat geleid. Van tijd tot tijd zet hij onthullende details voor. Zo komen we te weten hoe de overheid in 1955 het `virulente communisme' in Oost-Groningen tegenging. Volgens een geheim onderzoek van de socioloog Groenman bestond een groot deel van de CPN-aanhang uit meelopers, maar werd de streek vooral geplaagd door werkloosheid en een gebrek aan voorzieningen. Met de aanleg van een extra zwembad en een ruimhartige toekenning van bijstandsgelden kon het onbehagen van de bevolking worden gesmoord in de deken van de verzorgingsstaat. En er zijn fraaie passages over boeren die met Domela Nieuwenhuis en Multatuli corresponderen. Of over Koert Stek die als partijbestuurder van de CPN met landbouwzaken wordt belast en al snel naar Moskou wordt gestuurd omdat hij de beginselen van het marxisme-leninisme onvoldoende machtig is.

Westerman beschrijft deze geschiedenis in episodes. Zo krijgt zijn boek het karakter van een tv-serie, waarbij elke aflevering zich op een bepaald tijdstip concentreert en door de ogen van één personage wordt gezien. Dat herinnert aan de werkwijze in de Duitse serie Heimat en de Italiaanse film Novecento.

De auteur schetst niet alleen de sociale ontwikkeling van Oost-Groningen. Hij gaat ook uitgebreid in op leven en werk van Sicco Mansholt. Zijn geschiedenis houdt op twee manieren met die van Groningen verband. Mansholt komt zelf uit een geslacht van rijke boeren en heeft vervolgens als minister van Landbouw en landbouwcommissaris van de EEG grote invloed op het agrarisch bedrijf in deze provincie gehad.

Mansholt werd in 1908 geboren op een grote boerderij in het noordwesten van Groningen. Zijn vader had in Wageningen gestudeerd en sloot zich aan bij de SDAP. Sicco's grootvader hield zich als autodidact systematisch bezig met experimenten op landbouwkundig vlak. Hij had niet alleen uitgesproken opvattingen over zaken als vrijhandel, ontginningen en de noodzaak van constante graanprijzen maar stelde deze ook op schrift. Westerman heeft onder meer ontdekt dat zijn ideeën van grote invloed op het latere beleid van Sicco Mansholt zijn geweest. Dit is historiografisch van belang. Het toont aan dat de naoorlogse landbouwpolitiek ook conceptueel sterk met de boeren in Groningen verbonden is.

De voorname rol die Mansholt zou spelen in de politiek was niet van meet af aan duidelijk. Aanvankelijk ging hij gewoon aan het werk als boer in de Wieringermeerpolder, die in 1930 was drooggelegd. Als lid van de SDAP wisselde hij regelmatig van gedachten met grootheden als Jan Tinbergen en Willem Drees. Deze laatste vroeg hem na de oorlog om als minister voor Landbouw en Voedselvoorziening toe te treden tot zijn kabinet. Als minister bracht hij het leerstuk van zijn grootvader inzake de constante graanprijzen voortvarend in praktijk. De prijs voor een kilo tarwe werd door hem simpelweg op twee kwartjes vastgesteld en er kwamen invoerheffingen die de nationale markt van de buitenwereld afschermden. Zo zette Mansholt met één handomdraai de korenmarkt buiten spel. En aangezien de prijzen van producten als boter, vlees of melk meestal van de graanprijs afhingen, kreeg hij indirect de gehele binnenlandse markt voor agrarische producten in zijn greep. Door deze hoge en stabiele graanprijs werd de graanproductie sterk opgestuwd.

Na zijn overstap in 1958 naar Brussel, voerde hij als EEG-commissaris hetzelfde beleid, nu voor een gebied dat zich uitstrekte van Sleeswijk-Holstein tot Sicilië. De schaalvergroting en productievermeerdering werden een ongehoord succes. Zelfs zozeer dat er vanaf de jaren zeventig enorme overschotten ontstonden die vervolgens op de wereldmarkt werden gedumpt. De boeren vonden het best. Het waren immers de belastingbetalers die moesten opdraaien voor de kosten van dit stelsel, dat uiteindelijk meer dan de helft van de EEG-begroting opeiste. In de jaren tachtig werd er een eind aan gemaakt. Voor Mansholt zelf was het al veel eerder duidelijk dat men niet kon voortgaan op de ingeslagen weg. Nadat hij in 1972 sterk onder invloed van de Club van Rome was gekomen, maakte zijn denken een snelle ontwikkeling richting milieubeweging door.

Groot formaat

Mansholt was een man van groot formaat, niet alleen door zijn fysieke voorkomen. Hij beschikte over grote moed, zowel in het verzet tijdens de oorlog als bij de verdediging van zijn beleid. Hij was een autocraat die er geen been in zag om ministers voor het blok te zetten als dat nodig was. Hij had een visionaire kijk: reeds in 1950 wees hij op het belang van de tegenstelling tussen Noord en Zuid voor de wereldvrede. En vanaf 1972 verwierp hij in zijn laatste levensfase alles wat hij als politicus verdedigd had – maakbaarheid, schaalvergroting, productiegroei enzovoort – en ging hij alles verdedigen wat hij consequent verworpen had. De graanrepubliek brengt deze wending uitdrukkelijk in beeld maar biedt er geen verklaring voor. Westerman noemt Petra Kelly, met wie Mansholt in die jaren een verhouding had, maar het lijkt me twijfelachtig of een zo radicale omslag louter particulier is.

Dat brengt ons bij de derde vraag. Hoe interpreteert Westerman het boerenbestaan in algemene zin en wat vindt hij van de politieke lijn van Mansholt? Uit het eerste hoofdstuk wordt duidelijk dat De graanrepubliek wat dit betreft een voorgeschiedenis bezit. Nog in 1983 worstelde Westerman als linkse student in Wageningen met de vraag of boeren nu vijanden of bondgenoten van de arbeidersklasse zijn. Marx bood geen soelaas. Hij vergeleek de boeren zelfs met een zak aardappelen: je kon ze wel bij elkaar stoppen maar het bleven onsamenhangende elementen. Latere linkse theoretici wisten evenmin hoe ze het boerenvraagstuk moesten zien. Dit onvermogen bereikte in de jaren dertig een dramatisch hoogtepunt toen Stalin miljoenen boeren liet vermoorden en verhongeren. Ik vermoed dat Westerman met deze vragen uit zijn studententijd is blijven worstelen. En het lijkt me even aannemelijk dat zijn boek over de boeren van Oost-Groningen óók een speurtocht naar het antwoord op die vragen is. Maar hij is daarin volgens mij niet geslaagd en wel om twee redenen.

Ten eerste vormt Groningen geen geschikte casus om het vraagstuk van de boerensamenleving te verhelderen. Het boerenbedrijf bestond er uit grote ondernemingen die zich volledig op de markt richtten en vreemde arbeidskrachten inhuurden. Maar traditionele boeren hebben doorgaans een klein bedrijf, zijn slechts ten dele op de markt gericht en laten het werk vooral door hun familieleden doen. In politiek opzicht zijn traditionele boeren meestal conservatief – Westerman wijst er zelf op – terwijl de boeren in Groningen een liberale en soms zelfs een socialistische voorkeur aan de dag legden. Op cultureel gebied hechten kleine boeren veelal groot belang aan kerk en geloofsleven, maar de Groningse boeren keerden zich al vroeg van de kerk af en hadden eerder interesse voor wetenschappelijke experimenten. Met andere woorden: deze boeren onderscheidden zich in diverse opzichten van het patroon dat bij de meeste `peasants' in Europa gangbaar was. Groningen vormt eerder een uitzondering dan een representatief geval. Zou men voor Nederland een onderzoek naar traditionele boeren willen doen, dan kan men beter op de zandgronden in het zuiden en oosten van ons land terecht.

Wederopbouw

Ten tweede biedt De graanrepubliek geen antwoord op de vraag wat men onder een linkse boerenpolitiek moet verstaan. Het is verleidelijk Mansholt als de voorman daarvan te zien. Hij was immers boer én socialist en heeft die zeldzame combinatie tot de grondslag van zijn (inter)nationale beleid gemaakt. Maar wellicht staan we ook in dit opzicht voor iets uitzonderlijks. Zijn beleid kreeg namelijk onder gunstige historische omstandigheden vorm. De oorlogsherinneringen zorgden er voor dat het streven naar maximale voedselproductie brede steun genoot. De modernisering van het platteland van bovenaf kon lang gelegitimeerd worden: eerst door de wederopbouw, later door het uitbouwen van de verzorgingsstaat en de expansie van de Europese bureaucratie. In de loop van de jaren tachtig werd duidelijk dat deze politiek haar grenzen kent. Men keerde tot de `normale' situatie terug: minder overheidsbureaucratie en meer marktwerking, ook waar het om de landbouw gaat. Daarmee kwam een einde aan de strak geleide politiek van Mansholt die sommigen voor een socialistisch antwoord op het boerenvraagstuk hadden aangezien.

Zowel ruimtelijk als historisch gaat het in De graanrepubliek dus om een geval apart. De meer algemene problematiek van het boerenbestaan komt daarom onvoldoende uit de verf. Maar er valt zodoende wel een helder licht op het bijzondere van de Groninger geschiedenis en van de politieke reus die zij heeft voortgebracht.

Frank Westerman: De graanrepubliek. Atlas, 255 blz. ƒ39,90