Earle en McCoury snijden door ziel

Zes mannen in pak rond een enkele microfoon, met staande bas, een mandoline, een banjo, een fiddle en twee akoestische gitaren. Zo moet het er ongeveer hebben uitgezien, toen Bill Monroe en zijn Blue Grass Boys eind jaren veertig een van hun talloze optredens gaven voor het radioprogramma The Grand Ole Opry in Nashville. Precies zo zag het er gisteren uit in een vol Paradiso, waar die ene microfoon weliswaar vol met high tech zat om de afzonderlijke instrumenten glashelder door te versterken, maar waar de mandolinespeler net als vroeger een stapje opzij deed als het tijd werd voor een fiddle-solo.

De Amerikaanse hardcore troubadour Steve Earle heeft alle stadia van het popmuzikantenbestaan doorlopen, van veelbelovend singer-songwriters tot heroïneverslaafde rocker en van buitenbeentje in Nashville tot de Bruce Springsteen van de country. Tegenwoordig maakt Earle geen onderscheid meer tussen rock- en countrymuziek; hij kent alleen nog echte muziek. Daarom sloeg hij de armen ineen met de Del McCoury Band, een van de beste authentieke bluegrassorkesten van de VS. Vader Del speelde in de jaren zestig bij de Blue Grass Boys van Bill Monroe en zoons Ronnie en Rob zijn virtuoos op respectievelijk mandoline en banjo. Mike Bub bespeelt de dog house bass en het razendsnelle fiddlespel is van Jason Carter. Aangevoerd door Steve Earle verandert hun ouderwetse muziek in een tijdloos tableau van traditionele en nieuwe liedjes, waarin folksongs uit de Appallachian Mountains van Tennessee even goed passen als I'm looking through you van The Beatles of de in elk nieuw arrangement weer even mooie Steve Earle-song My old friend the blues. De gezamenlijke cd The Mountain klinkt als onvervalste jaren veertig-bluegrass, maar bevat toch echt alleen composities van Earle.

Het gezelschap gaf nieuwe inhoud aan het begrip avondvullend met aparte sets van de lachgrage heer McCoury (`huh huh huh, dit is een murder ballad') en zijn band, Steve Earle solo en twee prachtige optredens van de hele club. De muzikanten bewogen in gedisciplineerde kringetjes rond die ene microfoon, dicht op elkaar en telkens weer ruimte makend voor de solisten. Op momenten dat de grijze Del McCoury naar voren stapte om zijn hoge tweede stem met het ietwat neuzelige Texas-Amerikaans van Earle te mengen, werd in één klap duidelijk waarom de bluegrass van Bill Monroe ooit werd aangeduid als de `high lonesome sound': hoog, eenzaam en snijdend door de ziel. Nergens kwamen de wortels van de Amerikaanse country in de Ierse folk zo duidelijk bloot te liggen als in de met tin whistle opgeluisterde burgeroorlog-ballade Dixieland, maar ook het uit Earle's solorepertoire afkomstige Copperhead Road klonk alsof het een eeuw geleden door Ierse immigranten naar Amerika was gebracht. Zo puur en onopgesmukt klinkt muziek uit Nashville nog maar zelden. Pas in een voor de gelegenheid tot Coffeeshop blues gedoopt staaltje van adembenemend snelle akoestische rock & roll lieten deze fantastische muzikanten doorschemeren dat het hier en nu soms ook nog enige invloed heeft op hun tijdloze muziek.

Concert: Steve Earle & the Del McCoury Band. Gehoord: 27/5 Paradiso, Amsterdam. Herhaling: 28/5 013, Tilburg, 29/5 Oosterpoort, Groningen.