De zaak-Miloševic

EEN OPLOSSING VAN het conflict over Kosovo is nauw verstrengeld geraakt met de loop van het recht door het uitbrengen van een officiële aanklacht tegen president Miloševic c.s.. Beide processen worden er niet eenvoudiger op. Het is waarschijnlijk dat de gezochte president nu helemaal de hakken in het zand zet. Valt er trouwens nog te onderhandelen met een regeringstop die formeel in staat van beschuldiging is gesteld wegens misdrijven tegen de menselijkheid? Voor de NAVO is er formeel weinig aan de hand. De vijf eisen van de alliantie zijn niet een kwestie van onderhandeling maar van aanvaarding, heet het. Aanklager Arbour van het Internationale straftribunaal in Den Haag trekt echter openlijk de waarde van de veelbegeerde handtekening van Miloševic in twijfel.

Ook de loop van het recht is onduidelijk. Deze internationale strafklacht tegen een regerend staatshoofd is een historische primeur: een juridische doorbraak, met alle risico's van dien. Het aanhoudingsbevel gaat uit op gezag van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties die het tribunaal heeft ingesteld. Maar aanklager Arbour blijft afhankelijk van de medewerking van anderen. De eersten die daarvoor in aanmerking komen zijn de partijen in het conflict, met name de leveranciers van een toekomstige vredesmacht. De ervaring met de eveneens gezochte leiders van de Bosnische Serviërs, Karadzic en Mladic, leert dat resultaat niet verzekerd is.

AAN DE ANDERE KANT heeft het tribunaal de tijd aan zijn zijde: ernstige oorlogsmisdrijven verjaren niet. Vanuit dit ruimere perspectief is de timing van de aanklacht op zijn minst opmerkelijk. Arbour zegt dat haar team slechts voldoet aan de algemene opdracht van rechtshandhaving in `real time'. Maar om de Servische commandostructuur bloot te leggen was gerichte informatieverschaffing vanuit de NAVO-hoofdsteden onontbeerlijk. Dit soort medewerking was tot dusver geen vanzelfsprekendheid. Het is onaannemelijk dat men zich in die hoofdsteden niet terdege bewust was van het effect van de verstrekte inlichtingen.

De aanklagers in Den Haag hebben vooral spoed achter de zaak-Miloševic gezet om te voorkomen dat de Servische leiders een vrijgeleide voor zichzelf bedingen bij een vredesregeling. Een `punto final' (garantie van niet-vervolging) is een ingrediënt geweest van de beëindiging van menige (burger)oorlog. Dit is in het geval van Kosovo nog steeds niet uitgesloten door de dubbelrol van de Veiligheidsraad. Deze wordt in de scenario's voor een vredesakkoord een centrale rol toebedeeld en is tegelijkertijd de instantie die op grond van speciale bevoegdheden het tribunaal in het leven heeft geroepen. Het statuut vrijwaart de aanklager van instructies van wie dan ook. Het sluit niet uit dat de Veiligheidsraad een uitzondering op een eigen besluit maakt in belang van vrede en veiligheid.

NA DE Eerste Wereldoorlog werd bij het Verdrag van Sèvres (1920) besloten tot vervolging van Turkse functionarissen wegens volkenmoord op de Armeniërs, maar bij het Verdrag van Lausanne (1923) werd hun amnestie verleend. Zeker nu zou zoiets de geloofwaardigheid van de internationale gemeenschap en van de Veiligheidsraad ernstig ondermijnen, signaleerde de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Kooijmans (thans rechter in het Internationaal Gerechtshof) vijf jaar geleden bij de oprichting van het tribunaal. Maar, zo voegde hij daaraan toe: ,,Als de Veiligheidsraad het mocht besluiten is dat óók recht van het Handvest. Je kunt niets uitsluiten. Zeker niet in het dossier-Joegoslavië''.

De aanklacht tegen Miloševic c.s. markeert een nieuwe fase in het internationale recht. Daartoe behoren ook de zaak tegen de Chileense oud-dictator Pinochet en de oprichting van een permanent internationaal strafhof. Dat is een positieve ontwikkeling, die echter grote vragen oproept. ,,Vrede en gerechtigheid komen meer in balans'', zei Arbour gisteren op de Britse televisie. Maar in de huidige fase van de internationale verhoudingen komt het uiteindelijk vaak nog neer op een keuze, vrede of gerechtigheid. Het is opmerkelijk hoe de aanklager er de nadruk op legt dat zij er geen boodschap aan heeft hoe de diplomaten nu verder moeten. Dat is te eenvoudig voorgesteld.