De natie in wording

De Patriots-Bataafse tijd is voor historici nooit de meest geliefde periode uit onze vaderlandse geschiedenis geweest. De beste studie over deze periode is nog altijd – ondanks alle kritiek – Patriots and Liberators van Simon Schama. Dat het twaalf jaar duurde voor een uitgever zich aan een Nederlandse vertaling waagde, is op zich al veelzeggend. Het jubileumjaar 1987 leverde geen enkele monografie op die een synthese bood van de patriotse beroeringen uit de jaren tachtig van de achttiende eeuw, waaraan met de Pruisische inval in 1787 een abrupt einde werd gemaakt. Met een handvol bundels, enkele catologi en een paar regionale studies was de oogst schraal te noemen. Het negatieve imago van de jaren 1780-1813 is voor een belangrijk deel op het conto te schrijven van de liberale historicus H.T. Colenbrander (1871-1945). Hij zag deze jaren niet als een tijd waarop Nederlanders trots konden zijn. Voor Colenbrander was de zeventiende eeuw een glorietijd, terwijl in de achttiende eeuw de buitenlandse invloed op de Nederlandse groeperingen steeds sterker werd. Omdat hij bij zijn onderzoek vooral bronnen in Berlijn, Parijs en Londen raadpleegde, verloor de patriotse beweging voor hem elke authenticiteit. Hij zag de Patriotten als marionetten en na 1795 hadden de Nederlanders `in knechtschap geleefd'. Pas met de terugkeer van de prins – de latere koning Willem I – veranderde alles; dit was het begin van een nieuwe tijd. Doordat Colenbrander zich als liberaal zo identificeerde met de nieuwe nationale staat, werden het Oranjehuis en zijn aanhangers voor hem de dragers van het nationale verleden.

Lange tijd bleef deze visie toonaangevend in de Nederlandse geschiedschrijving. Pas de grote syntheses van Pieter Geyl (Geschiedenis van de Nederlandse Stam), Jan Romein (De lage landen bij de zee) en L.J. Rogier (Eenheid en scheiding) maakten een eind aan de laatdunkende visie op deze tijd. Ondanks de grote verschillen tussen deze historici, die elk hun eigen idealen in de geschiedenis hoopten terug te vinden, hadden zij één trek gemeen: een krachtig nationaal gevoel beheerste hun werk. Geyl zag de gematigden als de dragers van het nieuwe Nederland, Rogier trof eindelijk de katholieken als volwaardige deelnemers aan het staatkundige leven aan en de marxist Romein sloeg de opmars naar 1848 gade. Zij kwamen niet toe aan het leggen van verbanden met ontwikkelingen elders en ze ontsnapten dan ook niet aan het eng-nationale kader.

Den Bosch

Sindsdien is het nationale perspectief de meest gebruikte invalshoek geweest om de ontwikkelingen in de periode 1770-1820 in beeld te brengen. De Utrechtse hoogleraar Maarten Prak is het met deze keuze niet eens. Hij heeft geprobeerd om vanuit lokale gebeurtenissen en ontwikkelingen greep te krijgen op deze moeilijk te doorgronden periode. Hij koos voor 's-Hertogenbosch. Bij de start van het eigenlijke onderzoek, ruim tien jaar geleden, was het de bedoeling dat een kwantitatieve studie zou verschijnen over de stedelijke financiën en de economische ontwikkelingen. Het onlangs verschenen boek heeft maar op één punt een overeenkomst met de aanvankelijke blauwdruk: het gaat over Den Bosch.

Prak stelt dat de marxistisch gekleurde interpretatie van het Ancien Régime, met een sterke nadruk op economisch-materialistische determinanten, in diskrediet is geraakt. In plaats daarvan is de nadruk komen te liggen op de louter politieke en de culturele aspecten. Het is een ontwikkeling die ook in de Nederlandse geschiedschrijving over de Patriotten en de Bataafs-Franse Tijd zichtbaar is.

De laatste jaren heeft een herwaardering plaatsgevonden van de bijdrage die inheemse revolutionairen leverden aan de in deze periode doorgevoerde veranderingen. In Republikeinse veelheid, democratisch enkelvoud wordt de omwenteling als een primair binnenlandse aangelegenheid beschouwd, zij het met enkele cruciale Franse interventies.

Tegelijkertijd haalt Prak de sociale dimensie van de revolutie nadrukkelijker voor het voetlicht dan de afgelopen jaren gebruikelijk was. Hij doet dit niet door de `emancipatie van de burgerij' opnieuw als een soort passe-partout naar voren te schuiven. Immers, in de Nederlandse sociale verhoudingen was, zoals Prak in zijn proefschrift Gezeten burgers voor Leiden al aantoonde, de burgerij al vanaf de zestiende eeuw geëmancipeerd. Die invalshoek heeft voor hem dan ook geen enkele verklarende waarde. De auteur wil in een lokale en dus goed te bestuderen omgeving laten zien hoe sociale en politieke verhoudingen en veranderingen in het Revolutietijdvak onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Prak toont in zijn boek, met 's-Hertogenbosch als `historisch laboratorium', haarscherp aan dat in Nederland tot omstreeks 1800 geen nationale sociale verhoudingen bestonden, maar dat die juist het product waren van de revolutie van de Bataafs-Franse Tijd.

In Republikeinse veelheid, democratisch enkelvoud staat één sociaal systeem centraal, het `corporatisme'. Het Nederlandse woord dat het dichtst in de buurt van dit gallicisme komt, is `gildenstelsel'. Essentieel voor het corporatisme was de aanzienlijke mate van onafhankelijkheid die de corporatieve instellingen (naast de gilden ook stedelijke schutterijen, instellingen voor sociale zorg, de kerken, universiteiten, enz.) bezaten. Dit was mogelijk dankzij privileges die exclusieve lidmaatschapsrechten boden en zelfbestuur door de leden waarborgden. Bovendien beschikten corporaties over eigen bronnen van inkomsten. De corporatieve instellingen die voor het boek van Prak de hoofdrolspelers leverden, behoorden tot een stedelijke gemeenschap die op haar beurt grotendeels dezelfde kenmerken had. Den Bosch als een soort super-corporatie.

Muiterij

Zich baserend op uitputtend bronnenonderzoek en op nagenoeg alle relevante literatuur, komt Prak met de stelling dat het programma van de Patriotten werd ingegeven en gestuurd door de parameters van het corporatisme. Kernpunten van het Patriotse programma waren stedelijke autonomie, lokaal burgerschap, politieke representatie en een hoofdrol voor de gewapende burgerij als vertegenwoordiging van de stadsgemeenschap. In Den Bosch steunde de Patriottenbeweging op de sociale lagen die ook het corporatisme droegen, te weten de regenten en de in gilden georganiseerde middengroepen.

Met grote precisie beschrijft Prak hoe tussen 1785-1787 in Den Bosch een Patriotse beweging ontstond en op welke wijze deze uiting aan haar ongenoegen gaf: exerceren, rekestreren, organiseren en ageren. Voordat de Bossche beweging op lokaal niveau ook maar één doorslaand succesje had kunnen boeken, begon – weliswaar pas ruim twee maanden nadat de 20.000 Pruisische soldaten de Republiek waren binnengevallen – ook in Den Bosch de repressie. In november 1787 liep de reactie zelfs uit op een muiterij van het in de stad gelegerde garnizoen. Gedurende drie nachten was de stad het toneel van woeste taferelen. Grote delen van het tweeduizend man tellende Oranjegezinde garnizoen sloegen aan het muiten en plunderen, waarbij verscheidene doden vielen. Prak stelt dat de muiterij niet louter een ongerichte orgie van geweld was, maar ook een weloverwogen doel had, namelijk om de plaatselijke Patriotten een lesje te leren.

De revolutionaire traditie van de jaren tachtig werd na 1794 geconfronteerd met een sterk veranderde politieke omgeving. Het feit dat de omwenteling in de winter van 1794-1795 gestalte kreeg onder auspiciën van het Franse leger onderstreepte de vitaliteit van het alternatief model van de Franse Revolutie. De financiële gevolgen van de steun uit Frankrijk versterkten van meet af aan de druk op een nationale oplossing voor de problematiek van de publieke schulden. Verkiezingen en de inrichting van een provinciaal bestuur creëerden in Bataafs Brabant bovendien een nieuwe institutionele omgeving voor politiek handelen. In deze nieuwe omgeving sneuvelde alras de strategische alliantie tussen elites en middengroepen, die tot dan toe het sociaal draagvlak had gevormd voor de corporatieve maatschappelijke ordening.

Naarmate het centrum sterker werd, bleek het moeilijker om lokale posities te blijven verdedigen. Lokaal burgerschap, gildenwezen, schutterij en corporatieve sociale politiek werden niet in één grote hervorming weggevaagd, maar gaandeweg en via uiteenlopende lijnen. Steeds opnieuw bleek echter, naast de belangen van direct betrokkenen, de problematiek van de openbare financiën een voorname drijfveer te zijn voor het doorvoeren van institutionele herschikkingen. Steeds opnieuw leidden die herschikkingen tot een reductie van de speelruimte voor lokale politici en hun corporatieve politiek.

Fundamentele rechten

Tegelijkertijd verdwenen een voor een de instellingen die, in onderlinge samenhang, vorm en inhoud hadden helpen verlenen aan het corporatieve samenlevingsmodel. De gilden werden in oktober 1798 opgeheven, tussen 1798 en 1807 legden de vier schutterijen een voor een het loodje en in 1811 moesten de talrijke instellingen, die zich op de een of andere wijze met de zorg voor de minderbedeelden bezighielden (in 1806 waren dat er 35!), opgaan in de Commission de Bienfaissance.

Het revolutionaire proces schiep een nieuw veld voor maatschappelijk handelen, namelijk de natie, waarvan de grenzen samenvielen met die van de staat. Ook na het vertrek van de Fransen werd de centraliserende tendens niet ongedaan gemaakt. Met de overwinning op het corporatisme waren talrijke sociale en politieke barrières geslecht. Fundamentele rechten werden algemeen toegankelijk, aanvankelijk in beginsel, maar allengs ook in praktijk. Tegelijkertijd impliceerde de sociale schaalvergroting een ontbinding van primaire verbanden, waarvoor noch de totalitaire regimes, noch een sterk doorgevoerde individualisering op den duur een oplossing hebben geboden. Misschien, zo sluit Prak zijn heldere, uitdagende en daardoor ook vernieuwende boek af, zal het `poldermodel' de gulden middenweg blijken te zijn, maar het blijft een precair evenwicht. Zo bezien hebben de discussies uit de decennia rondom 1800 nog maar weinig van hun actualiteit verloren.

Maarten Prak: Republikeinse veelheid, democratisch enkelvoud. Sociale verandering in het Revolutietijdvak, 's-Hertogenbosch 1770-1820. SUN, 349 blz. ƒ49,50