De moeizame weg naar de pastorie

In de negentiende eeuw heerste binnen de Nederlandse Hervormde Kerk grote verdeeldheid. De moderne rationalistische theologie, gestempeld door de Verlichting, was dominant geworden. Godsdienst was moraal en moest, samen met het onderwijs, de nationale eenheid van de Nederlandse staat versterken. Predikanten van de hervormde kerk stonden niet alleen in dienst van het koninkrijk Gods, maar evenzeer in dienst van het toen nog verse Koninkrijk der Nederlanden.

Die situatie leidde tot verzet. Een deel van de hervormden verliet de kerk en stichtte eigen organisaties. Afscheiding (1834) en Doleantie (1886) leidden tot het ontstaan van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Een ander deel bleef in de vaderlandse kerk en organiseerde daar het verzet tegen de vrijzinnigheid. Deze orthodoxe vleugel hekelde het totale ontbreken van toezicht op het behoud van de traditionele gereformeerde leer, zoals die in de tijd van de Reformatie was ontstaan. O.G. Heldring en Groen van Prinsterer stichtten in 1864 de Confessioneele Vereeniging met het doel binnen de hervormde kerk een halt toe te roepen aan de moderne vrijzinnige theologie.

Veel boeken over de kerkelijke geschiedenis van de negentiende eeuw besteden vooral aandacht aan deze theologische en kerkelijke verwikkelingen, die vaak als godsdienstig verval werden beleefd. Daarnaast bestaan er boeken van predikanten uit die periode waarin ze, op persoonlijke en anekdotische wijze, aandacht besteden aan leven en werken in de pastorie. Het bekendste voorbeeld is het uit 1843 daterende en tot ver in deze eeuw veelgelezen boek Schetsen uit de pastorie te Mastland van ds. Cornelis Eliza van Koetsveld, die daarin zijn ervaringen als beginnend predikant noteerde. Dergelijke boeken geven een inkijkje in het leven van de pastorie en haar bewoners, dat vaak niet over rozen ging.

In In dienst van het Koninkrijk slaat David Bos een sociologische brug tussen de officiële kerkhistorische literatuur en kerkelijke documenten en uitspraken aan de ene kant en de anekdotische domineeslectuur aan de andere kant. De theologische verwikkelingen vormen het decor waartegen Bos de maatschappelijke positie van de hervormde theologie-studenten en predikanten in de negentiende eeuw tekent. De pastorie-literatuur alsook de talrijke gedichten en verhalen uit studentenalmanakken blijken belangrijke en soms ook vermakelijke bronnen waaruit Bos beeldend materiaal weet te putten voor zijn thematisch opgezette studie. Dat alles resulteert in een heldere en uiterst leesbare schets van de ontwikkeling van de positie van de predikant in de negentiende eeuw. Illustratief is het cijfermateriaal dat Bos biedt. Zo laat een van de statistieken zien dat in de loop van de eeuw het aantal theologiestudenten in de besturen van de studentencorpora sterk daalt – een aardige aanduiding voor de verschuiving in hun positie.

Een van de belangrijkste structurele ontwikkelingen die de hervormde kerk in de loop van de negentiende eeuw meemaakte was de geleidelijke losmaking uit de omarming van de staat. In de Franse tijd was daarmee al een begin gemaakt. Onder koning Willem I werd dit proces van kerkelijke verzelfstandiging tijdelijk teruggedraaid. De hervormde synode vergaderde zelfs in de Trêveszaal aan het Binnenhof, maar in 1842 kreeg de kerk de bevoegdheid haar eigen reglementen op te stellen en tien jaar later kwam een Algemeen Reglement tot stand zonder inmenging van buitenaf. Daarmee verschoof de positie van de predikant geleidelijk van `overheidsdienaar' naar herder van de kerkelijke gemeente. De op de praktijk gerichte vakken kregen in de theologische opleiding dan ook steeds meer aandacht.

In het begin van de negentiende eeuw had de afgestudeerde theologie-student het moeilijk. Hij kon bijna niet aan een baan komen door het overschot aan proponenten, kandidaat-predikanten. Kerkenraden maakten dankbaar misbruik van die situatie. Ze lieten in geval van een vacature rustig tientallen kandidaten opdraven zonder een keus te maken. De variatie aan voorgangers trok kerkgangers en dat vulde de collectezak, zoals ds H.J. de Groot cynisch schrijft in zijn vooroorlogse verhalenbundel Schaap en bok in één hok. Er was een synodebesluit voor nodig om aan deze mensonterende praktijk een einde te maken. Voortaan mochten kerkenraden maximaal twaalf kandidaten, vaak onbezoldigd, op proef komen laten preken. Daarna moesten ze een keus maken.

Opvallend is dat het aantal mensen dat theologie ging studeren ook in de negentiende eeuw al onderhevig was aan een `varkenscyclus'. Op perioden van een overschot aan predikanten volgde een periode met tekorten en omgekeerd – een verschijnsel dat zich nog altijd voordoet: in de kolommen van het Nederlands Dagblad is momenteel een discussie aan de gang over de gevolgen van het dreigende overschot aan predikanten in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) nu de groei van het ledental afneemt, en over de consequenties die dat heeft voor de doorstroming. Inmiddels neemt het aantal nieuwe theologiestudenten in deze kerken zo sterk af dat ook daarover ongerustheid bestaat.

Een van de constateringen die Bos doet betreft de `statusdiscrepantie' waaraan het predikantschap onderhevig was. Dominees bezaten maatschappelijk aanzien door hun ambt, hun geleerdheid of door hun plechtige manier van doen, ze vertegenwoordigden de Eeuwige, maar tegelijk genoten ze een traktement dat veel lager was dan je op grond van hun beroepsprestige zou verwachten – een verschijnsel dat tot ver in deze eeuw onder predikanten voorkwam.

Een andere opmerkelijke ontwikkeling is dat in de loop van de negentiende eeuw steeds meer – vooral vrijzinnig georiënteerde – predikanten op een bepaald moment hun ambt neerlegden en een ander vak gingen beoefenen. Bekende voorbeelden zijn Busken Huet, die hoofdredacteur van de Haarlemse Courant werd, en Allard Pierson. Behalve het onderwijs bleek vooral de journalistiek een gezocht alternatief voor het predikantschap. De theoloog A.G.C. van Duyl werd in 1865 hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad en bleef dat twintig jaar. En I.A. Lamping, aanvankelijk hervormd predikant in Den Helder, was van 1869 tot 1892 hoofdredacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Het Nieuws van den Dag kreeg in 1870 de theoloog Simon Gorter (de vader van Herman) als hoofdredacteur. Toen in 1878 het Rotterdamsch Nieuwsblad een nieuwe hoofdredacteur zocht, waren drie van de elf kandidaten predikant. Bos ziet in de uitstroom van predikanten, bij een toenemende bevolking en een groeiend aantal predikantsplaatsen een aanwijzing voor het afnemend prestige van het domineesambt.

Uitvoerig bespreekt Bos de eigenlijke werkzaamheden van de predikant: preken, bediening van de sacramenten doop en avondmaal, catechisatie aan jongere gemeenteleden, huis- en ziekenbezoek en het leiden van begrafenissen. Wat dat betreft is er in beginsel weinig in de beroepspraktijk veranderd – al heeft de inhoud van die werkzaamheden een totaal ander karakter gekregen. Niemand verwacht bijvoorbeeld meer dat een dominee geheel uit het hoofd preekt, wat in de negentiende eeuw de norm was. Ook is het allang geen gebruik meer dat een predikant aan de vooravond van de viering van het avondmaal samen met een of meer ouderlingen alle gezinnen, personeel incluis, bezoekt om hen op hun verantwoordelijkheden te wijzen. Het persoonlijke, vertrouwelijke pastorale gesprek tussen predikant en gemeentelid is daarvoor in de plaats gekomen. Hedendaagse predikanten wonen niet meer in `het glazen huis' dat veel van hun negentiende-eeuwse voorgangers bewoonden. Zeker voor hun kinderen is het onopvallende rijtjeshuis wel zo aangenaam.

David Bos: In dienst van het Koninkrijk, Beroepsontwikkeling van hervormde predikanten in negentiende-eeuws Nederland. Bert Bakker, 472 blz. ƒ49,90