De bak van het verzet

Aan de gevel en in de publiekshal herinnert niets aan het verleden. Geen bordje, niets. Zou dat de klanten afschrikken? Van 1941 tot en met 1945 was hier het bastaardzusje gehuisvest van de joodse bankiersfirma Lippmann, Rosenthal & Co. Het eigenlijke kantoor van Lippmann, Rosenthal in de Amsterdamse Nieuwe Spiegelstraat is verbouwd tot appartementen, maar in het pand van Lippmann, Rosenthal, aan de Sarphatistraat, zit nog steeds een bank.

De vestiging in de Sarphatistraat was door de Duitse bezetter opgericht met maar een doel: de systematische beroving van de joodse Nederlanders van hun bezittingen, zoals geld, diamanten, effecten, levensverzekeringspolissen. De Duitsers koppelden de roofbank aan de gevestigde joodse bankinstelling Lippmann, Rosenthal om geen onrust te veroorzaken. Ook al doordat de Amsterdamse effectenbeurs geen bezwaar maakte, kon de roofbank ook vrijelijk op de beurs zaken doen.

Voor de oorlog was hier de Amsterdamsche Bank gevestigd, nu is het ABN Amro, de bank die is voorgekomen uit onder meer een fusie van de Amsterdamsche Bank met de Rotterdamsche Bank. Een paar jaar geleden kwam deze vestiging in opspraak na de ontdekking van een grootscheepse fraude. De Europese regeringsleiders die vorig jaar het verdrag van Amsterdam tekenden konden het pand net zien toen zij op hun (door de gemeente geschonken) fietsen de brug afreden richting Amstel Hotel.

Gerard Aalders beschrijft in zijn boek Roof, De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog onder meer hoe pakketten aandelen en obligaties van joden via het beurslid Lippmann, Rosenthal op de Amsterdamse effectenbeurs werden verkocht. Het ging om een totale waarde aan ingeleverde stukken van 300 à 400 miljoen gulden, schat Aalders

Omdat de Nederlandse regering in Londen direct na het uitbreken van de oorlog waarschuwde voor de onrechtmatigheid van handel in bezittingen van joden, kostte het Liro en haar vertegenwoordigers de nodige moeite om de effecten te verkopen. Dat gold met name voor aandelen van Amerikaanse bedrijven, die op de beurs in de vorm van certificaten werden verhandeld.

In Amerika staan aandelen op naam, maar dat waren Nederlandse bankiers en beleggers niet gewend. Een Nederlandse administratiekantoor kocht en beheerde de originele aandelen, zodat het Amerikaanse bedrijf een aandeelhouder op naam in zijn boeken had staan. Op de Amsterdamse beurs werden certificaten verhandeld die het administratiekantoor had uitgegeven. Een belegger die deze certificaten kocht, kon anoniem blijven. Amerikaantjes werden deze stukken genoemd. Dat waren, net als Russische spoorwegobligaties (tot 1917), populaire effecten.

Tijdens de oorlog waren de Amerikaanse certificaten gevraagd: de koers van de dollar liep op, terwijl ook een verwachte koersstijging na de oorlog (plus nog te ontvangen dividenden) kopers trok. Wie rechtstreeks zaken deed met Liro, of het door Liro aangewezen effectenkantoor voor Amerikaanse effecten, wist dat hij gestolen goederen kocht.

Hij kon dat onder meer zien aan de koersen die lager waren dan de zogeheten stopkoersen en aan de extra provisie die de koper kreeg. Voorlopers van onder meer ABN Amro en ING kochten deze effecten. De herkomst kon hun niet schelen, of zij konden geen weerstand bieden aan de lage koers of de extra provisie. ,,Van de ongeveer 375 beursleden in de periode 1942-1944 bogen er bijna 140 voor de mammon'', concludeert Aalders. Hoe het na de oorlog verloopt met de teruggave van deze en andere bezittingen, bewaart hij voor een apart boek.

Waren de praktijken van de banken buiten de beurs in bredere kring bekend? In zijn memoires Herinneringen van een Amsterdammer rept Gijs van Hall er in elk geval niet van. Zijn broer Walraven, die bij een beursfirma werkte en regelmatig op de beursvloer kwam, was de grote inspirator van het Nationaal Steunfonds, de bank van het verzet die tijdens de oorlog 84 miljoen gulden uitkeerde, onder meer aan de spoorwegstakers. Gijs van Hall, die bij een administratiekantoor van onder meer Amerikaanse aandelen werkte, zamelde het geld daarvoor in. De broers waren thuis in de financiële en zakenelite. Hun vader was bijvoorbeeld voorzitter van de effectenbeurs geweest.

De meeste banken die Aalders noemt als de kopers van de Amerikaantjes gaven, met uitzondering van de Rotterdamsche Bank, na 1944, toen de financiële nood rap opliep, geld aan het Steunfonds. Was dat vaderlandsliefde? Wisten zij dat Van Hall wist dat zij gestolen effecten hadden gekocht en kwamen zij daarom over de brug?

Walraven van Hall viel in 1945 in handen van de Duitsers en werd vermoord. Na de oorlog ging Gijs van Hall in een overheidsdelegatie naar Amerika om daar de blokkering door de Amerikaanse regering van de Nederlandse Amerikaantjes ongedaan te maken. Hij schatte de waarde van de Amerikaanse aandelen van de administratiekantoren op 400 à 500 miljoen dollar. De missie liep door naijver in de delegatie en Amerikaanse scepsis op niets uit. Van Hall ging in 1948 bij een dochter van de Amsterdamsche Bank werken en werd in 1957 burgemeester van Amsterdam tot het bouwvakkersoproer en Provo-rellen in 1966 hem zijn baan kostten.