De adelaar kijkt weer alle kanten op

Deze week vijftig jaar geleden werd Duitsland in tweeën gedeeld. Op 23 mei 1949 werd in Bonn de Bondsrepubliek gesticht. Zeven dagen later volgde de DDR in Berlijn. Veertig jaar later werd deze deling teruggedraaid. Frits Boterman over een halve eeuw worstelen met binnen- en buitenwereld.

Bonn was Weimar niet. Maar is Berlijn nog wel Bonn? Om deze vraag gaat het bij de vijftigste verjaardag van de Bondsrepubliek. In 1949 begonnen als een voorlopige instelling, is de Bondsrepubliek uitgegroeid tot het machtigste land in het midden van Europa. Deze ontwikkeling begon op 23 mei 1949 toen in Bonn door de `Parlamentarische Rat' de grondwet werd aanvaard en de republiek opgericht. Dat was de eerste belangrijke stap naar een democratische politieke cultuur omdat de constitutionele fouten die tot de dramatische ondergang van de Weimar-republiek hadden geleid, in de voorlopige Grundgesetz waren vermeden. De omstandigheden waaronder deze grondwet werd opgesteld, waren echter uiterst onzeker. Niet alleen keken de militaire geallieerde leiders voortdurend over de schouder mee, ook de politieke, economische en sociale situatie in het verslagen en geruïneerde Duitsland was zeer beroerd.

Een groter verschil tussen de prille Bondsrepubliek van toen en het Duitsland van nu is nauwelijks denkbaar. De Bondsrepubliek, tussen 1949 en 1989 het braafste jongetje in de Europese klas, is nu als lid van de NAVO in een taaie oorlog verwikkeld met Servië, een land dat door nazi-Duitsland was gebombardeerd en bezet. De `Grünen', begonnen als een buitenparlementaire actiegroep, zijn een regeringspartij geworden die op het ogenblik mede de wereldpolitiek bepaalt. En Joschka Fischer, die ooit als maoïst tot de radicaal-linkse oppositie behoorde, wordt nu omringd door bodyguards en behoort daarmee definitief tot het politieke establishment.

Natuurlijk is er van de geschiedenis van de Bondsrepubliek een geweldige success-story te maken: de vestiging van een stabiele democratie, het `Wirtschaftswunder' en de geweldloze vereniging van 1989 zijn grote wonderen. Maar er zijn belangrijke momenten geweest waarin het oude en nieuwe denken om de voorrang streden en generaties heftig met elkaar in botsing waren.

Manfred Görtemaker noemt zijn Geschichte der Bundesrepublik Deutschland dan ook slechts een tussenbalans. Zijn voortreffelijke historische overzicht laat zien dat de Duitse deling en het beladen nazi-verleden voortdurend de ruimte van het politieke handelen van de verschillende regeringen ernstig hebben beperkt. Deze spagaten waren soms bijzonder pijnlijk. De Bondsrepubliek moest rekening houden met het wantrouwen van de westerse geallieerden maar moest, met het oog op de `Wiedervereinigung', óók ontspanning met het Oosten nastreven.

Konrad Adenauer

Zonder overdrijving kan gezegd worden dat de Bondsrepubliek het werk van Konrad Adenauer is geweest. Meer dan andere politici had hij al snel in de gaten dat na de catastrofe van 1945 het roer drastisch om moest en dat een deling van Duitsland én Europa onvermijdelijk was. De SPD onder leiding van Kurt Schumacher, die letterlijk de littekens van de Duitse geschiedenis met zich meedroeg, hield toen nog vast aan de eenheid van Duitsland.

Adenauers successen waren zowel gebaseerd op het `Wirtschaftswunder' als op het inzicht dat het communistische `Heidentum' uit het oosten het grootste gevaar vormde. De rooms-katholieke Rijnlander wist een burgerlijke coalitie (CDU en FDP) door te drukken die de sociaal-democraten lange tijd buitenspel zette. Met slechts één stem verschil én toestemming van zijn dokter werd de 73-jarige Adenauer de eerste bondskanselier. Adenauer was om allerlei redenen de meest geschikte man om de problemen van het jonge West-Duitsland op te lossen. Paradoxaal genoeg zorgde deze patriarchale politicus van de oude stempel voor de fundamenten van een stabiele democratie. Omdat hij veertien jaar lang bondskanselier was (15 september 1949 tot 15 oktober 1963), kon hij zijn stempel op de Bondsrepubliek drukken. Hij was niet alleen de onbetwiste leider van zijn partij maar ook het symbool van een nieuwe West-Duitse buitenlandse politiek die respect afdwong. Bovendien legde hij, samen met Ludwig Erhard, met zijn eeuwige sigaar als symbool van welvaart, de basis voor een `soziale Marktwirtschaft'. Zo kon Adenauer de CDU ombouwen tot een hechte volkspartij, miljoenen `Heimatvertriebenen' integreren en aan de `Wiedergutmachtung' met Israel van 1952 werken.

Achteraf gezien liggen Adenauers grootste verdiensten op buitenlands-politiek gebied. Enerzijds bestempelde hij de Bondsrepubliek tot de Duitse kernstaat en schoof hij de `Wiedervereinigung' op de lange baan. Al in de jaren twintig had Adenauer met het idee van een West-Duitse staat gespeeld. Zijn diep gewortelde anti-Pruisische sentiment (alles ten oosten van de Elbe was voor hem een Aziatische steppe) bleek na de oorlog een uitstekend alibi voor zijn strijd tegen de Sovjet-Unie. De sluwe vos uit Rhöndorf, met zijn rijke politieke ervaring, begreep dat er geen ander alternatief was dan oriëntatie op het Westen. Anderzijds wilde hij onder de curatele van de geallieerde bezettingsmachten uitkomen en de volledige soevereiniteit verkrijgen. Hij was ervan overtuigd dat de Bondsrepubliek tot het westerse avondland behoorde en dat zij alleen door `Westbindung' en `Politik der Stärke' jegens de Sovjet-Unie langzaam weer respect in de wereld zou herwinnen. Het ging hem om de veiligheid van de Bondsrepubliek. Zijn coalitie gaf daarvoor de Duitse eenheid op. Deze politiek van Adenauer bleek tijdens de `revolutie' van 1989 succesvol. De integratie van Duitsland in Europa en de westerse wereld was onomkeerbaar geworden.

Wat Adenauer misschien het meest te verwijten valt, is zijn betrekkelijk geringe bijdrage aan de `Vergangenheitsbewältigung'. De toverwoorden waren integratie en restauratie. Daarin paste niet al te veel berouw en schuldbesef. Er is nooit een echte `Stunde Null' geweest, aldus Gerhard A. Ritter in zijn nogal oppervlakkige Über Deutschland. Naast de vele discontinuïteiten ten opzichte van 1933-1945 waren er ook continuïteiten, vooral op het personele vlak. Kurt Sontheimer weerspreekt dat in zijn jubelende en interessante boek So war Deutschland nie. Volgens hem was er in de jaren vijftig geen sprake van een algemene verdringing van het nazi-tijdperk. Maar daarbij zijn toch een paar kanttekeningen te maken. Het aantal vervolgingen van ex-nazi's daalde in dat decennium bijna tot nul. Bovendien verschoof onder invloed van de Koude Oorlog de aandacht naar een antitotalitaire consensus, die meer gericht was op het rode gevaar dan op het bruine verleden. Het massale enthousiasme voor Hitler werd steeds meer als een louter politieke vergissing afgedaan. Dat de verwerking van het nazi-verleden aan het eind van deze eeuw nog steeds midden in de politieke en intellectuele discussies staat (het omstreden Holocaust-monument in Berlijn, Goldhagen-debat, Wehrmacht-discussie, Walser-Bubis-rel), had niemand in die jaren kunnen voorspellen.

Willy Brandt

De periode na Adenauer tussen 1961 en 1969 werd vervolgens een uiterst roerige overgangsfase. Natuurlijk had dit onrustige en lastige laveren tussen het oude en het nieuwe denken tijdens de jaren zestig te maken met de ongelijktijdige ervaringen van de verschillende generaties en ook met angstreflexen, inferioriteitsgevoelens en overcompensatie. De naoorlogse generatie, onbesmet door het nazi-verleden, stond recht tegenover de oorlogsgeneratie. West-Duitsland was uiteindelijk door de verstarde buitenlandse politiek en de binnenlandse blunders van Adenauer (zoals de beruchte Spiegel-affaire van 1962) tot de achterhoede in de Oost-Westverhoudingen afgezakt. De VS hadden meer baat bij ontspanning en de Hallstein-doctrine was verouderd. Maar vanaf 1969 ging het land door de `Ostpolitik' van Willy Brandt weer tot de voorhoede behoren.

Deze `Ostpolitik' kwam niet uit Bonn, maar uit Berlijn. Ze was niet alleen de verdienste van Brandt, maar ook van zijn adviseur Egon Bahr, die in een beroemde lezing in Tutzing in 1963 het programma van de latere `Ostpolitik' formuleerde. Zijn `Wandel durch Annäherung' was bedoeld om met kleine stapjes de status-quo te overwinnen door deze juist te erkennen. Zeker na de bouw van de Muur in augustus 1961 hadden de westerse geallieerden zich bij de Duitse deling neergelegd. `Wiedervereinigung' en een vredesverdrag waarmee de Duitse kwestie kon worden opgelost, leken verder weg dan ooit. Brandt had dit als burgemeester van West-Berlijn, het hart van het gedeelde Europa, als eerste door. De West-Duitsers moesten zelf het initiatief nemen en een betere verstandhouding met de Sovjet-Unie en de DDR ontwikkelen om de deling in humanitaire zin te overwinnen. Het ging om het redden van een `nationale Substanz', zoals Görtemaker schrijft.

Ondanks een kleine meerderheid in de Bondsdag (12 zetels), de nog steeds virulente communistenangst, de scepsis aan de andere kant van de Muur en de vrees van het Westen voor een Duitse `Alleingang', wist Brandt dit politieke huzarenstukje te klaren en het contact met het Oosten onomkeerbaar te maken. In het Westen werd hij vertrouwd als anticommunist en in het Oosten als antifascist. De Bondsrepubliek won door de `Ostverträge' (de feitelijke erkenning van DDR en Oder-Neisse-grens) meer politieke speelruimte en `soevereiniteit'.

Het was geen toeval dat deze sociaal-liberale politici, die uit het noorden en oosten kwamen (Brandt was in Lübeck geboren) grotere verwantschap hadden met Oost-Duitsland dan de politici van vóór 1969 die vooral uit het westen en zuiden afkomstig waren. Zij waren geschikter om een verzoening met de vroegere vijanden (Russen, Polen en Tsjechoslowaken) tot stand te brengen en te breken met de politieke, sociale en mentale verstarring van het Adenauer-tijdperk. De `Ostpolitik' vulde de `Westbindung' aan.

Erich Honecker

De hoop op een opener opstelling van het SED-regime en meer vrijheid in de DDR bleek, achteraf gezien, ijdel. Honecker en de zijnen waren vooral geïnteresseerd in stabiliteit, erkenning en harde valuta. Niet de Oost-Duitsers maar de West-Berlijners profiteerden daarvan het meest. Wel nam de handel toe. En de verdragen met de Sovjet-Unie, DDR en andere Oost-Europese landen gaven de detente een kans, zoals bleek uit de Slotakte van Helsinki (1975). De Bondsrepubliek veranderde van een West-Europese in een Europese staat.

Ook in het binnenland kreeg de SPD als eeuwige oppositiepartij eindelijk de mogelijkheid een andere weg in te slaan (`Mehr Demokratie wagen'), al leidde dit tot polarisatie en intolerantie. De grootste winst van de `revolutie' van de jaren zestig was het doorbreken van de vele taboes en het stimuleren van een collectief zelfonderzoek. Dat werd duidelijk in de Auschwitz-processen (1964/65) en de verjaringsdebatten in de Bondsdag (1965 en 1969) over de vervolging van moord tijdens het nazi-regime.

De jaren zestig waren een onrustige incubatie-tijd, waarin de jeugd kritische vragen aan de ouders begon te stellen over de oorlog. Het zwijgen over het verleden werd vaak hardhandig doorbroken, bijvoorbeeld door de oorvijg van Beate Klarsfeld voor kanselier en ex-NSDAP'er Kurt Georg Kiesinger. De tv-serie Holocaust met haar Hollywood-uitstraling veroorzaakte later in 1979 zelfs een emotionele stortvloed van `Betroffenheit' die nog steeds dominant is. Het nazi-verleden behoort nu onmiskenbaar tot een van de meest kenmerkende elementen van de Duitse identiteit.

Een ander misverstand tussen de generaties in deze jaren bleek tijdens de discussie over de `Notstandsgesetze', die door de `Ausserparlamentarische Opposition' (APO) gezien werden als een teken van hernieuwd `fascisme' en het naderende einde van de parlementaire democratie. In werkelijkheid werd hier met een kanon op een mug geschoten, omdat het in deze wetten voor een eventuele noodtoestand juist over het herwinnen van West-Duitse soevereiniteit ging. Kurt Sontheimer concludeert wat overdreven dat de generatie '68 de democratie niet verrijkt maar met haar destructieve, autoritaire en intolerante gedrag juist tegengewerkt heeft. Uit misplaatst utopisme en anti-anticommunisme hadden velen van deze generatie een te rooskleurig beeld van de situatie in de DDR, laat staan dat een door hen gekoesterde marxistische theorie, waarin het `fascisme' gelijk werd gesteld aan het kapitalisme, enige werkelijkheidswaarde had. De opstandige studenten en andere jongeren wilden een radicale verandering van de gehele samenleving. De meesten van de protestgeneratie keerden in de moederschoot van de SPD terug, maakten carrière of keerden de politiek de rug toe. Maar een kleine minderheid van hen schoot door omdat ze de `mars door de instituten' te lang vond duren. Kleine splintergroepjes kozen zelfs voor geweld dat met de moordaanslagen van de RAF een bedenkelijke climax beleefde.

Toch kan men zeggen dat de Bondsrepubliek sinds de koerswijziging van de sociaal-liberale coalitie in 1969 – gesteund door intellectuelen als Grass en Böll en gesymboliseerd in de persoon van bondspresident Gustav Heinemann – een hechtere democratische basis wist te vinden. De electorale winst van de rechts-extremistische NPD (4,3 procent) maakte paradoxaal genoeg in 1969 mede de weg vrij voor deze regering Brandt/Scheel, die niet dankzij maar ondanks de buitenparlementaire oppositie aan de macht kwam. Uit angst door de CDU voor slap te worden versleten dreigde de SPD met de `Radikalenerlass' zelfs de democratie in gevaar te brengen. Maar uiteindelijk kwam de democratie door de succesvolle bestrijding van de RAF door crisismanager Helmut Schmidt er sterker uit.

Schmidt, die Brandt in 1974 was opgevolgd, verkeerde ondertussen in een patstelling. Terwijl zich eind jaren zeventig een economische crisis aandiende en de Koude Oorlog weer oplaaide, deed hij krampachtige pogingen de contacten met Sovjet-Unie en DDR te handhaven. Anderzijds pleitte hij in 1977 in Londen voor een krachtig antwoord op de plaatsing van de SS20-raketten in de DDR. Dit NAVO-dubbelbesluit van 1979 maakte hem, zacht gezegd, niet bijster populair bij zijn achterban en leidde tot felle oppositie binnen zijn partij en de `Grünen'.

Helmut Kohl

Vanaf 1982 zorgde de centrum-rechtse coalitie van Helmut Kohl voor een conservatieve `Wende'. Zijn buitenlands-politieke optreden was aanvankelijk verre van gelukkig: zo vergeleek hij de nieuwe Sovjet-leider Gorbatsjov met Goebbels. Maar de SPD was verdeeld over de Pershing II-raketten, bleef zich blindstaren op de `Ostpolitik' en had te weinig oog voor de mensenrechten en de oppositie in de DDR. Links zou door de val van de Muur in 1989 dan ook het meest in verwarring raken.

Onderschat door links en omstreden in eigen gelederen kon Kohl in 1989 uitgroeien tot de staatsman van de Duitse eenheid. Hij wist tijdens het verenigingproces van beide tradities, de `Ostpolitik' en `Westbindung', te profiteren. Vooral de Europese integratie was voor hem een conditio sine qua non om het nog steeds bestaande wantrouwen bij Duitslands buren te verminderen en een herleving van extreem nationalisme te voorkomen. De verdienste van Kohl was, aldus Görtemaker, dat hij na de euforie van `89 elke verleiding om de Duitse politiek in de zin van Bismarck te `renationaliseren' wist te weerstaan en aan de Europese eenwording bleef vasthouden. Hij offerde daarvoor de D-Mark zelfs op.

Worstelde de Bondsrepubliek in het begin van haar bestaan met de boedel van de zwakke Weimar-democratie en pas later met de erflast van het Derde Rijk, de huidige Berlijnse Republiek verschilt nu al van Bonn. Maar zij zal nooit meer Weimar worden, schrijft Ritter terecht. Met het woord `Berliner Republik' suggereert hij dat er sprake zou zijn van een cesuur. Toch zijn er, ondanks de vele continuïteiten ten opzichte van Bonn (stabiele democratie, oriëntatie op het Westen, Europese integratie, multilateralisme en een hoog moreel besef), ook breukpunten. De huidige Bondsrepubliek is sociaal, cultureel en politiek pluriformer en zal in eigen land daarom meer conflicten te verstouwen krijgen. Sinds de hereniging in 1989/1990 heeft Duitsland zich bevrijd van het idee een post-nationale staat te zijn, die zichzelf beperkingen moet opleggen, en daardoor meer politieke speelruimte gekregen. Het heeft afscheid genomen van het provisorium Bondsrepubliek en een `tweede kans' gekregen. Van een `Zivilmacht' aan de zijlijn – gebaseerd op handel, welvaart en een afschuw van militair geweld – is de Bondsrepubliek veranderd in een zelfbewuste grote mogendheid. Van terughoudendheid in de buitenlandse politiek (`Machtvergessenheit') is steeds minder te merken. De Duitse kolos is daardoor zowel kwetsbaarder als sterker geworden. Want de sociaal-economische en psychologische problemen – gevolgen van de hereniging en de haperende economie waarbij Ritter uitvoerig stilstaat – blijven belastende factoren. Europa is in toenemende mate tevreden met Duitsland. Maar of Duitsland tevreden is met zichzelf, is de vraag. De zwaarste last waarmee de Bondsrepubliek, naast de erfenis van de rode dictatuur, nog steeds kampt is het nazi-verleden. Al heeft deze worsteling de Duitsers ook immuun gemaakt voor de uitwassen van links- of rechts-radicalisme, Duitsland blijft een `schwieriges Vaterland'.

Wie de balans van vijftig jaar Bondsrepubliek opmaakt, kan niet anders dan optimistisch zijn. De nieuwe machthebbers, die ooit oorlog en nationalisme taboeïseerden, zijn nu voor militaire acties buiten het NAVO-gebied. De lessen die de generatie '68 zelf opstelde, namelijk `nooit meer oorlog', zijn in Kosovo omgedraaid.

We maken nu dan ook de volwassenwording in de buitenlandse politiek en de voltooiing van de interne eenheid mee. Dat wordt gesymboliseerd in de overgang van het provinciale Bonn naar de metropool Berlijn, die vanuit de nieuwe koepel van de Rijksdag zowel naar het westen als naar het oosten kijkt. Duitsland keert terug naar Berlijn, maar er is nog genoeg overgebleven van de Bondsrepubliek in Bonn.

Kurt Sontheimer: So war Deutschland nie. Anmerkungen zur politischen Kultur der Bundesrepublik. C.H. Beck Verlag, 262 blz. ƒ53,30

Manfred Görtemaker: Geschichte der Bundesrepublik Deutschland. Von der Gründung bis zur Gegenwart. C.H. Beck Verlag, 915 blz. ƒ102,20

Gerhard A. Ritter: Über Deutschland. Die Bundesrepublik in der deutschen Geschichte. C.H. Beck Verlag, 303 blz. ƒ55,70