Zonder armen of benen, maar roekeloos

WE STOPPEN BIJ een verkeerslicht en mijn auto wordt onmiddellijk omringd door een grote schare bedelaars. Er zijn hier vele soorten bedelaars: beroepsbedelaars, gelegenheidsbedelaars en pure amateurs. De eerste groep herken ik onmiddellijk. Het zijn vrouwen die gehuurde baby's in een slendang meedragen en zich verraden door hun schoongewassen en gestreken kleding. Ze hebben weliswaar enigszins aan hun beroep aangepast door verschoten en oude kleren te dragen, maar wat ik al schreef, hun kleding is kraakhelder, in feite een bedelaar onwaardig. Ze zijn doorgaans hardnekkig en lichtelijk arrogant. Geef je ze een munt van 25 of 50 roepia, dan laten ze die met een scheldwoord vallen en lopen door. Een biljet van 500 roepia levert een terima kasih (dankjewel) op en voor 1000 roepia ontvang je een gebed en Allah's zegen.

De gelegenheidsbedelaars zijn meestal vrijdags in de buurt van moskeeën te vinden. Ze zitten bij de ingang, een geldbakje in hun hand, religieuze spreuken prevelend, en ze testen de gelovigen op hun daadwerkelijke vroomheid. Ik vind dit een sympathieke groep.

Dan zijn er de `religieuze' bedelaars; hoewel ze die term zeker zullen verwerpen, maar laat ik dit voor het gemak toch even gebruiken, omdat het hier tenslotte een `aanverwant' beroep betreft. Het zijn santri's (leerlingen van islamitische semenaries), die groengeverfde blikken trommels met een gleuf in het midden en een opzichtig hangslot eraan, met zich meedragen. Ze zijn ook als zodanig gekleed: de meiden met sluiers en hoofddoeken, de jongens met een kopiah (zwart kalotje) en soms een sarong. Zien ze een buitenlander, dan kijken ze wat aarzelend omdat die gewoonlijk voor een ongelovige wordt aangezien. Is die desondanks toch edelmoedig, dan komen ze meteen allemaal!

Dan zijn er de muzikanten, steevast een duo van een zanger en een gitaarspeler. Ze zingen onbeschrijfelijk vals over gebroken harten en onbeantwoorde liefdes. Ze zijn zelden opdringerig en bij gebrek aan edelmoedigheid lopen ze onverstoorbaar verder naar de volgende auto.

Invaliden vormen een heel aparte categorie en zij hebben hun eigen bedelmethoden. De melaatsen laten demonstratief hun misvormde ledematen zien en dat levert soms medelijden en immer afgrijzen op. Aarzelt de passagier met zijn edelmoedigheid, dan houden zij hun misvormde ledematen onder zijn neus. In zo'n geval winnen ze altijd.

De blinden opereren uiteraard nooit alleen; ze zijn gewoonlijk vergezeld van een agressieve partner die een arm van de blinde man omhoog houdt terwijl deze op zijn beurt continu verzen uit de koran reciteert. De invaliden die armen of benen missen, behoren tot de categorie der roekelozen. Ze posteren zich met levensgevaar zodanig op de weg dat de chauffeur gedwongen is af te remmen en in een boogje om hen heen te rijden. Zodra hij voor het verkeerslicht stopt, laten ze ostentatief hun armen of benen zien of beter gezegd wat daar nog van over is, en door hardnekkig tikken op het portier lukt het meestal wel de passagiers geld uit de zak te kloppen.

De meest dramatische groep in die categorie zijn degenen die beide benen missen. De stompen die nog resten zijn met fietsbanden of stukken autoband omwikkeld en ze bewegen zich kruipend, met hun handen houten klossen omklemmend, voort. En dan zijn er de amateurs: kinderen gewoonlijk, die zo arm zijn dat ze alleen opereren en met handgeklap hun liedjes begeleiden. Van alle categorieën vind ik hen het meest beklagenswaardig.

Ten slotte is er nog een groep die immer aandacht trekt en vaak ook succesvol is. Dat zijn de travestieten. Je treft ze vaak op grote verkeerskruispunten aan. Als je er één ziet dan kun je er zeker van zijn dat er nog anderen in de buurt zijn. Ze zingen en begeleiden zich met een tamboerijn, wiegen daarbij met hun heupen en lachen koket. Ze zijn fraai gekleed en overdreven geschminkt. Een enkele keer worden ze wel eens geplaagd door rondscharrelende nietsnutten, maar dat duurt nooit lang want ze verliezen prompt hun vrouwelijkheid en gaan tot de aanval over, en daar komt geen zachtaardigheid aan te pas.

Dat neemt niet weg dat, mits niet geprovoceerd, ze erg vriendelijk zijn. Sinds mensenheugenis hebben ze een plaats in de Indonesische cultuur. De populaire naam voor deze travestieten is van oudsher banci, later heeft men dat als denigrerend geïnterpreteerd, waarschijnlijk omdat het geassocieerd werd met zoiets als `halfzacht', wat ze beslist niet zijn — zie boven. Hoe het ook zij, men begon nieuwe namen te verzinnen. Een poosje was wadam zeer populair, een acroniem bestaande uit een combinatie van de woorden Adam en Eva. Maar daar kwamen islamitische groepen tegen in opstand. De naam van Adam mocht niet aan een travestiet gegeven worden. Toen werd het waria, een combinatie van wanita en pria (vrouw en man). Maar in de volksmond heten ze nog steeds banci of wadam en niemand heeft daar moeite mee.

(..)Is in het bovenstaande in zeker opzicht sprake van een stijging in appreciatie, hier komt men ook woorden tegen die juist een daling daarvan betekenen. Het woord bule is goed voorbeeld. Het betekent in feite `albino' en dat is geen compliment want deze blonde mensen met rode ogen en een roze sproetige huidskleur behoren niet per se tot de allerschoonsten van de schepping. Die naam geeft men tegenwoordig als groepsnaam aan blanken. Ze raakt steeds meer in zwang en is wat gevoelswaarde betreft vergelijkbaar met nigger, een naam die zoals bekend door negers niet erg op prijs wordt gesteld.

Het boek `Reformasi', verschijnt in juni. Uitgever: De Prom