Scherp getuige

De Duitse schrijfster Grete Weil is op 14 mei, enkele dagen voor haar 93ste verjaardag, gestorven in haar woning bij München. Dat heeft haar Zwitserse uitgever Nagel und Kimche gisteren bekendgemaakt. Grete Weil schreef tot vlak voor haar dood: haar autobiografie Leb ich denn, wenn andere leben verscheen een jaar geleden. Het was Weils laatste poging het onbegrijpelijke te begrijpen. Waarom had zij overleefd?

Netzomin als in haar andere boeken vindt ze een antwoord. Maar de lezer weet: Grete Weil heeft overleefd om getuige te kunnen zijn. Ze was een onverbiddelijke getuige, met een koel-afstandelijke blik en een scherpe pen. Hard was ze zowel voor de daders als voor de slachtoffers en bovenal voor zichzelf. Dat zij de deportatie van haar man niet wist te verhinderen en dat zij daarna met zijn moordenaars collaboreerde, dat heeft zij zichzelf nooit vergeven. Haar man, de dramaturg Edgar Weil, werd in 1941 opgepakt bij een razzia in Amsterdam-Zuid; hij stierf hetzelfde jaar in Mauthausen. En zijn weduwe ging werken bij de Joodse Raad. Zij, een vrijzinnig opgevoed meisje, zat ineens in het hol van de leeuw.

In een gecultiveerd milieu groeide de advocatendochter Grete Dispeker op: mooi huis, veel boeken, tafelgesprekken over literaire humanisten als Schiller en Thomas Mann. Een huis, in München eerst, later daar in de buurt, gevuld met verlicht Duits bewustzijn. De nazi's maakten haar attent op haar jood-zijn en het kostte haar de grootste moeite deze vloek om te zetten in iets wat voor haar aanvaardbaar was. Maar van binnen bleef ze ook Duits en in 1947 keerde ze ondanks de protesten van joodse vrienden terug naar haar platgebombardeerde Beierse `Heimat'. Ze trouwde er later met de operaregisseur Walter Jokisch. In `het land van mijn moordenaars, van mijn taal' had men aanvankelijk geen belangstelling voor de verhalen van iemand die eigenlijk dood had moeten zijn. Tramhalte Beethovenstraat, haar eerste roman, verscheen pas in 1963 en werd in 1995 opnieuw uitgegeven. Weil was 74 toen ze werkelijk doorbrak, in Duitsland, in Europa, in het voor haar noodlottige Nederland, waar haast heel haar oeuvre werd vertaald.

Ging Tramhalte Beethovenstraat over de verbijsterende geruisloosheid waarmee joodse vluchtelingen uit Amsterdam werden verwijderd, haar doorbraakboek Meine Schwester Antigone knoopt heel klassiek aan bij een sage uit het oude Griekenland. Grete Weil, schrijft zij, had Antigone willen zijn, een vrouw met moed en karakter, trouw aan de doden, ongehoorzaam aan de tirannen en tot haar laatste snik voor haar idealen vechtend. Maar ze werd een tweede Ismene. Net als Antigone's zuster redde zij het vege lijf door compromissen te sluiten. Antigone kon haar verhaal niet navertellen. Dat moest een ander doen: Ismene.