Referendum was nooit kroonjuweel

Het referendum wordt door D66 gezien als een kroonjuweel. Maar heeft D66 het referendum vanaf het begin zo behandeld? Oprichter Van Mierlo stemde in 1974 nog tegen zo'n volksraadpleging.

Een kroonjuweel noemt D66 het vorige week afgeschoten correctief wetgevingsreferendum. Kroonjuweel; zo'n begrip suggereert een reden van bestaan, een grondbeginsel dat niemand ooit van de Democraten af mag pakken. Het referendum zal dus zeker in het beginselprogramma staan dat D66 wel in 1966 zal hebben opgesteld. Niet helemaal, want de Democraten houden niet van beginselprogramma's. Die staan slechts vol met dogma's en die zouden juist samen met het hele politieke bestel moeten ontploffen.

Geen dogma's, maar wel spreken van kroonjuwelen: D66 is een wonderlijke partij. Het archief van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen van de Rijksuniversiteit Groningen bevat een document dat als beginselprogramma kan worden gezien: het eerste verkiezingsprogramma uit 1967. Op de eerste bladzijde wordt meteen duidelijk dat staatsrechtelijke vernieuwing vanaf dag één de drijfveer was van de Democraten. De minister-president moet voortaan worden gekozen, dat is in het 32 jaar oude program het belangrijkste. Kroonjuweel twee is de herziening van het kiesstelsel in de vorm van een districtenstelsel. Samen vormen ze het principe van `one man, two votes': één voor de macht en één voor de controle van de macht. Verderop is het de beurt aan de Eerste Kamer om te verdwijnen, een kroonjuweel dat getuige de gebeurtenissen van vorige week nog niet erg wil blinken. En het referendum? Dat heeft meer weg van een bedelarmbandje. Ergens achterin staat het: de mogelijkheid en wenselijkheid van een eventueel referendum dienen nader te worden bestudeerd.

Dat was nog heel wat, want in de veertien jaar erna is het `kroonjuweel' uit het vocabulaire van de partij verdwenen. Wel wordt er veel gefantaseerd over de vernieuwing van het kiesstelsel (congresbundel van 1968: `districtenstelsel zeer succesvol op Tasmanië') en over de gekozen minister-president, commissaris van de koningin en burgemeester, maar over het referendum geen woord.

Zo nieuw was het voorstellen van een referendum overigens niet. Tot niets verplichtende landelijke referenda zijn er al sinds 1797, in 1805 voor het laatst. In 1921 haalde een voorstel om het referendum in de grondwet te verankeren het niet. Onder de voorstemmers bevond zich de grondlegger van de VVD, professor P.J. Oud.

Als de geschiedenis van D66 erop wordt nageslagen, blijkt dat alleen onder D66-oprichter Hans van Mierlo (1966-1975 en 1985-1998) de partij in staatkundige vernieuwing is geïnteresseerd. Dat wil zeggen: wat er begin jaren zeventig van die partij over was.

In 1974 had de partij nog maar een paar honderd leden en stemde een meerderheid bij het partijcongres dat jaar voor opheffing van de partij. Na enig spitten in de statuten bleek dat voor zo'n besluit een tweederde meerderheid nodig was en daarvoor kwamen vijftig stemmen tekort. Steeds meer D66'ers begonnen zich af te vragen of ze de staatsrechtelijke voorstellen, waarmee de partij begon, wel voldoende hadden doordacht. En of die vernieuwingen niet zo belangrijk werden dat ze de status van dogma kregen, waardoor de rechtgeaarde D66'er er eigenlijk tegen zou moeten zijn.

De preoccupatie van Van Mierlo strekt zich in ieder geval niet uit tot het referendum. In 1974 werd door het toenmalige Tweede-Kamerlid E. Jurgens (toen PPR, nu PvdA-senator) een motie in stemming gebracht om het referendum in te voeren. De motie haalde het bij lange na niet. Een van de tegenstemmers was, als enige van zijn fractie, fractievoorzitter Van Mierlo. Dat de motie niet ver genoeg ging, kan niet de reden van Van Mierlo's tegenstem zijn geweest. De motie-Jurgens stelde hetzelfde referendum voor als vorige week op het `tegen' van senator Wiegel stuitte.

Begonnen de verkiezingsprogramma's onder Van Mierlo steevast met de paragraaf staatsrecht, met zijn opvolger Jan Terlouw (1976-1985) aan het roer lijkt D66 louter met sociaal-economische vraagstukken bezig te zijn. En met de kernwapens en met de vorming van een brede progressieve volkspartij.

In 1981 duikt het begrip referendum weer op in de standpunten van D66, maar nog wat verlegen. Nadat eerst is gepleit voor een hoger salaris en meer werkruimte voor parlementariërs stelt het verkiezingsprogram van 1981 dat ,,een consultatief referendum zal [..] nader worden onderzocht''. Vier jaar later is Van Mierlo weer terug en weer staan de gekozen premier en het districtenstelsel prominent in het verkiezingsprogram. Over het referendum wordt ,,in beginsel positief'' gedacht. In het program van 1989 neemt het referendum alweer een wat prominentere plaats in om in 1994 als voorstel tot grondwetswijziging te verschijnen in het regeerakkoord van het eerste paarse kabinet.

Keer op keer heeft Van Mierlo verklaard dat D66 min of meer voor de gekozen minister-president en het districtenstelsel is opgericht. En steeds werd en wordt er bij gezegd dat de invoering van dergelijke ingrijpende herzieningen een lange adem vergt.

Inmiddels is D66 33 jaar oud, wordt de premier niet gekozen en is er geen regionale afvaardiging in de Tweede Kamer. De enige keer dat D66 tot nu toe enigszins in de buurt kwam van het binnenhalen van een pareltje uit het kroonjuweel `districtenstelsel' was toen Jacob Kohnstamm, D66'er en staatssecretaris Binnenlandse Zaken in het eerste paarse kabinet, een voorstel door de Tweede Kamer probeerde te loodsen om de helft van de Kamerleden landelijk en de andere helft via het eigen district te laten kiezen.

Het voorstel redde het van geen kant, maar er was geen D66'er die het in zijn hoofd haalde om uit het paarse kabinet te stappen. `Volgende keer beter', was een betere typering van de stemming onder de Democraten.

Volgens D66 is Kok II gestruikeld over een kroonjuweel. D66-leider De Graaf zou een meesterstrateeg blijken als hij het zover heeft laten komen om de echte kroonjuwelen binnen te slepen. Dan onderhandelt hij nu met informateur Tjeenk Willink over het kiesstelsel en de gekozen minister-president. En over de opheffing van de Eerste Kamer.