Ongelijke strijd van parlement en president

Voor het eerst sinds 1955 worden in Indonesië vrije verkiezingen gehouden. Maar de president blijft het centrum van de macht. Hij vormt het kabinet.

SINDS SOEKARNO en Hatta in 1945 de onafhankelijkheid van Indonesië uitriepen, zijn er in het land acht maal verkiezingen gehouden. Voor een vrije keuze uit vrijelijk opgerichte partijen, een race waarbij de winnaar niet bij voorbaat vaststond, moeten we terug naar 1955. In dat jaar gingen de Indonesiërs tweemaal naar de stembus: op 29 september, om een Kamer van Afgevaardigden (parlement) te kiezen, en op 15 december, voor de verkiezing van een Grondwetgevende Vergadering.

De omstandigheden waaronder de Indonesiërs volgende week gaan stemmen, vertonen enige gelijkenis met die van 1955. Ook toen maakte Indonesië een turbulente periode door. De regering stond onder druk van tegenkrachten in de buitengewesten, die zich verzetten tegen het centralisme van Jakarta, en de staatkundige eenheid van de jonge republiek was in gevaar. In Atjeh, op Sulawesi en in West-Java waren gewapende islamitische bewegingen actief, die onder de noemer van Darul Islam ijverden voor regionale afscheiding of ten minste islamisering van de eenheidsstaat. De drie belangrijkste politieke stromingen die hadden deelgenomen aan de strijd voor de onafhankelijkheid van Nederland, de politieke islam, de seculiere nationalisten en de linkerzijde met de communistische PKI als leidende kracht, waren verdeeld over de weg die het land moest inslaan.

Aan de verkiezingen van 1955 namen 34 partijen deel, vier grote en dertig kleintjes. De nationalistische PNI werd de grootste partij met 22 procent van de stemmen, de PKI kwam onverwacht sterk uit de race met 16 procent, de (islamitische) Masyumi kreeg 20 procent en de (eveneens islamitische) Nahdlatul Ulama haalde 18 procent. Het islamitische en het niet-islamitische blok bleken nagenoeg even sterk en dat verhinderde in de jaren daarna een tweederde meerderheid in de Grondwetgevende Vergadering over de plaats van de religie in de republiek.De politieke constellatie van 1955 was een heel andere dan die anno 1999. Van 1949 tot 1957 kende Indonesië parlementaire kabinetten. De grondwet van 1950 had 's lands eerste president, ir. Soekarno, een louter ceremoniële rol toebedeeld. Gezien de aanhoudende onrust in de buitengewesten riep Soekarno in 1957 de Staat van Oorlog en Beleg uit en gaf hij ir. Djuanda opdracht tot de vorming van een `zakenkabinet'. Toen de Grondwetgevende Vergadering het in 1959 - op Sumatra was inmiddels een tegenregering gevormd - nog steeds niet eens was geworden, werd ze ontbonden door Soekarno. Ook muilkorfde hij het parlement en besloot hij bij een (ongrondwettig) presidentieel decreet tot herinvoering van de voorlopige grondwet van 1945, die hem destijds als president zeer ruime bevoegdheden had gegeven. Het was Soekarno die een begin maakte met de `opschoning' van het partijpolitieke spectrum: in 1959 verbood hij de Masyumi en de kleine, sociaal-democratische PSI, waarvan nogal wat kaderleden zich hadden aangesloten bij de tegenregering in Sumatra.

Door de sanering van het partijwezen en de terugkeer naar een presidentieel systeem manoeuvreerde Soekarno zich in het centrum van de macht. Hij vond daarbij twee tegengestelde krachten aan zijn kant: de `revolutionaire' linkerzijde, belichaamd door PNI en PKI, aan de ene, en de strijdkrachten aan de andere kant. In de top van de strijdkrachten werd de PKI, die met name op Java over een massale aanhang beschikte, als staatsgevaarlijk beschouwd en de PKI zinde op kansen om de `rechtse' generaals politiek te neutraliseren.

Soekarno ontleende in de jaren na 1959 zijn macht aan zijn arbiterrol tussen deze beide rivalen. De mislukte putsch in 1965 van links georiënteerde officieren deed de balans definitief doorslaan naar de anti-communistische generaals. De PKI werd verboden en (vermeende) aanhangers werden massaal over de kling gejaagd. Generaal Soeharto verweet Soekarno heimelijk te heulen met de communisten en zette hem stapsgewijze aan de kant.

Over het algemeen wordt het jaar 1965, toen de strijdkrachten onder generaal Soeharto de macht de facto overnamen, beschouwd als het belangrijkste keerpunt in de naoorlogse geschiedenis van Indonesië. Toch bezegelde de machtsovername door Soeharto in feite een staatkundige ontwikkeling die Soekarno al in 1959 had ingezet: de vestiging van een presidentieel systeem, zoals verankerd in de - destijds als voorlopig beschouwde - grondwet van 1945. Dat ontwerp was geïnspireerd door zowel liberale, corporatieve als Javaanse rechtsopvattingen en gaf de president schier despotische macht. De republiek had daarna twee andere grondwetten. Die van 1950 legde het fundament voor een parlementair bestel en een ceremonieel presidentschap, maar werd door Soekarno in 1959 vervangen door het ontwerp van 1945, dat inmiddels, na veertig jaar van Geleide Democratie (1959-1966) en Nieuwe Orde (1966 tot heden) geldt als sacraal document en onwrikbare hoeksteen van de republiek.

Sindsdien kende de republiek geen parlementaire kabinetten meer: ministers worden aangesteld door de president aan wie ze ook rapporteren. Wetsontwerpen moeten weliswaar ter goedkeuring worden voorgelegd aan de kamer, maar veel wetten zijn er de afgelopen decennia niet gemaakt. President en ministers gaven de voorkeur aan decreten, die geen instemming behoeven van de volksvertegenwoordiging.

Het staatshoofd zelf wordt gekozen door een Volkscongres, dat eens in de vijf jaar vergadert. Aan het einde van iedere ambtstermijn moet hij rekenschap afleggen aan dit college, maar onder Soeharto hadden verreweg de meeste leden hun zetel te danken aan de president zelf. Onder diens Nieuwe Orde werd eerbiedige lippendienst bewezen aan de grondwet, maar daarvan werden in feite alleen de sterke uitvoerende bevoegdheden van de president gerespecteerd. Er bovenop werd een bouwwerk van decreten opgetrokken die vaak niet of nauwelijks strookten met de letter en de geest van de tekst uit 1945.

Sinds het gedwongen aftreden van Soeharto, deze maand precies een jaar geleden,heeft het parlement zijn wetgevende bevoegdheden heroverd en korte metten gemaakt met een reeks ministeriële decreten die het lidmaatschap van staatspartij Golkar voor alle overheidsdienaren verplicht stelde en wat er onder Soekarno nog restte van het partijwezen bijeenveegde in twee machteloze satelietjes, die niet mochten meeregeren en evenmin oppositie mochten voeren. Daarmee is de Indonesische politiek echter niet terug bij de constellatie van 1955, toen er voor het laatst vrije verkiezingen werden gehouden. Nieuwe (deels oude) politieke partijen zijn (her)opgericht en mogen op 7 juni meedingen naar zetels in de Kamer van Afgevaardigden, maar van een krachtige linkse stroming is geen sprake meer. De partij met het meest uitgesproken sociale profiel is de Strijdende PDI van Soekarno's dochter Megawati, een bundeling van oude PNI-ers en christelijke groeperingen.

De uitslag zal er aanzienlijk anders uitzien dan die van 1997, de laatste verkiezingen onder de gedecreteerde spelregels van de Nieuwe Orde. Maar speculaties over coalitiekabinetten op basis van die uitslag zijn uit de lucht gegrepen, want de grondwet van 1945 is nog steeds van kracht en die bepaalt dat niet de parlementariërs kabinetten vormen, maar de president. De vrije parlementsverkiezingen worden gehouden in een onveranderd presidentieel systeem.

In november vergadert het Volkscongres, dat voor de helft bestaat uit de 500 nieuw verkozen afgevaardigden en voor de andere helft uit door de zittende president, dat wil zeggen Soeharto's zelfbenoemde opvolger Habibie, aangewezen vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en gewesten. Dit duizendtal kiest een president en vice-president en het is de aldus aangewezen nieuwe man die naar eigen inzicht een regering vormt. Die zal meer dan in het verleden rekening moeten houden met de krachtsverhoudingen in het parlement, maar hij is geen verantwoording schuldig aan dat college. Het resultaat kan een afspiegeling zijn van de partijpolitieke verhoudingen, maar net zo goed een zakenkabinet van technocraten.