Nuchter dirigent

Paul Sacher, die woensdag op 93-jarige leeftijd in Basel overleed, heeft met zijn geld muziek gemaakt. En omdat hij door het huwelijk met de grootaandeelhoudster van het farmaceutisch bedrijf Hoffmann-La Roche een van de rijkste mensen ter wereld was – een paar jaar geleden rangschikte Forbes Magazine hem op de derde plaats – heeft hij een ongekende betekenis gehad voor de muziekontwikkeling van deze eeuw. Hij gaf opdrachten aan componisten als Bartók, Lutoslawski, Hindemith en Boulez.

Maar niet alleen met geld maakte Sacher muziek. Hij studeerde muziekwetenschap en orkestdirectie. En hoewel hij er niet de persoon naar was om in het spotlicht te staan, waardoor hij als dirigent bij het grote publiek niet erg bekend is geworden, was hij meer dan een uitstekend vakman. Meer ook dan de goedwillende amateur die mecenassen nog wel eens plegen te zijn. Wie, zoals Sacher, is staat is om ritmisch uiterst gecompliceerde werken als Bartóks Music for Percussion, Strings and Celesta tot een goed einde te brengen, moet wel een voortreffelijk dirigent zijn.

Sachers stijl van dirigeren was nuchter, zakelijk. En zo was ook zijn muzikale smaak. Voor Schönberg en Berg had hij weinig belangstelling. Hij voelde zich thuis in de heldere wereld van Strawinsky en Bartók, en later in die van Boulez, Berio en Ligeti. Al in 1926 richtte Sacher zijn eigen Baselse Kamerorkest op. Omdat veel van de meer dan 200 opdrachtwerken voor dit strijkorkest geschreven werden, heeft hij indirect veel invloed gehad op de klankwereld van de hedendaagse 20ste-eeuwse muziek. Vooral ook, omdat hij graag betrokken was bij de ontstaansgeschiedenis van de compositie. ,,Ik wou de muziek van mijn generatie leren kennen, de stem van onze tijd'', zei Sacher. ,,En ik moet toegeven, als ik een werk uitvoerde, wilde ik altijd degene kennen die de muziek had gemaakt.''

Toch bleef Sachers liefde voor muziek niet beperkt tot de werken van tijdgenoten. Ook voor oude muziek had hij grote belangstelling. De periode van Mozart tot Mahler sloeg hij over, die kwamen volgens hem al genoeg aan bod. Hij concentreerde zich op de tijd daarvoor. Daartoe richtte hij in 1933 de Schola Cantorum Basiliensis op, een van de allereerste instituten waar musici en muziekwetenschappers gezamenlijk zochten naar de intenties van oude componisten en naar een manier om hun werk – ontdaan van romantische balast – uit te voeren.

Sacher leed niet aan de ziekte in de hedendaagse muziek, om een werk na de première te vergeten. In 1973 richtte hij de Paul Sacher Stiftung op en ging manuscripten verzamelen. Voor 10 miljoen gulden kocht hij in 1984 de nalatenschap van Strawinsky, een paar jaar later gevolgd door die van Webern. Ze liggen in Basel naast grote composities van deze eeuw die er zonder Sacher niet zouden zijn geweest.