Modehuis Gucci wint rechtszaak

Het modehuis Gucci, een Amsterdams beursfonds, heeft zich met succes verdedigd tegen een overname door de Franse concurrent LVMH. Wel is Gucci schuldig aan ,,wanbeleid'' in deze `handtassenoorlog'.

Dat bleek vanochtend bij de uitspraak van de Ondernemingskamer van het Amsterdamse Hof in de rechtszaak tussen het Italiaanse Gucci, producent van mode en lederwaren, en LVMH, een mode- en champagnehuis met merken als Louis Vuitton, Dior en Dom Perignon.

Topman Domenico De Sole van Gucci, die met enige vertraging de vertaling kreeg toegefluisterd, begon te glunderen toen hij de uitspraak begreep. ,,We zijn blij dat het hof onze strategische alliantie met PPR in stand heeft gehouden'', zei hij na afloop temidden van een kluwen cameraploegen.

De belangrijkste bescherming van Gucci tegen de overname door LVMH is door de rechter niet ongedaan gemaakt. Gucci verkocht 42 procent van het bedrijf aan het Franse detailhandelsconcern PPR voor 6 miljard gulden. De rechter vond de timing van die transactie verkeerd, namelijk middenin het door hem opgelegde onderhandelingsproces met LVMH. Maar hij stelde dat Gucci en PPR toch opnieuw samen verder zouden gaan als hij het akkoord nu zou terugdraaien. Bovendien was de transactie, een emissie van nieuwe aandelen, niet in strijd met de regels. De raad van bestuur van Gucci had immers in 1995 op een aandeelhoudersvergadering het onbeperkte recht gekregen om nieuwe aandelen uit te geven.

Door het belang van PPR in Gucci is het nu in praktijk voor LVMH heel moeilijk om de zeggenschap in Gucci te verkrijgen omdat dan vrijwel alle `onafhankelijken' met een bod in zouden moeten stemmen. LVMH had op de beurs een belang van 35 procent in Gucci opgebouwd dat door de PPR-deal nu is verwaterd tot ongeveer 20 procent. De tegenpartij, bestaande uit PPR en het Gucci-management, heeft 47 procent van de aandelen. Maar LVMH kan, zo merkte de rechter op, nog steeds een onvoorwaardelijk openbaar bod doen op alle aandelen in Gucci.

De rechter vernietigde wel het personeelsoptieplan, de eerste beschermingsconstructie die Gucci in stelling had gebracht. Zo'n plan mag gebruikt worden als bescherming, maar niet in de vorm (,,een winstdelingsregeling, een spaarplan'') die Gucci koos.

Zowel de PPR-deal als het personeelsoptieplan werden door de rechter wel betiteld als zijnde ,,in strijd met de elementaire beginselen van behoorlijk ondernemersschap''. kortom als ,,wanbeleid''.

Daar hielden we rekening mee, zei advocaat P.N. Wakkie van Gucci. Maar het doel heiligde de middelen, erkende hij. ,,Wat was het alternatief geweest? Dat LVMH, de belangrijkste concurrent, in feite de controle over Gucci zou hebben gekregen.''

De Nederlandse advocaat van LVMH, mr. M.W. Josephus Jitta, sloot niet uit dat LVMH bij de Hoge Raad in cassatie gaat tegen de uitspraak. Daar worden niet meer de feiten, maar de uitleg door het Hof beoordeeld. Een handvat kan zijn dat de Ondernemingskamer voor het eerst stelde een oordeel te kunnen vellen zonder eerst een eigen onderzoek (een `enquête') in te stellen. De uitspraak is te vinden op de website van het Hof: www.gerechtshof-amsterdam.nl.