Kunst achter glas

Ook mij lijkt het geen slecht plan om bij de ingangen van musea elektromagnetische poortjes neer te zetten, om de grootste risico's in elk geval te vermijden. Maar wat Marianne Vermeijden verder voorstelt `Schilderijen moeten desnoods achter glas' (NRC Handelsblad, 18 mei) lijkt minder ingegeven door `realiteitszin', dan door de behoefte om kunst de plaats terug te geven die zij altijd heeft ingenomen, maar die zij door aanslagen van wat men anti-kunstenaars zou kunnen noemen heeft moeten prijsgeven: die van metafysisch object, ver boven ons verheven, onaantastbaar, eeuwig, waar en goed.

Maar nu is het tijd voor `rigoureuze veiligheidsmaatregelen'. `Zieken' moet jarenlang, `desnoods levenslang' de toegang tot de musea worden ontzegd. Daarbij lijkt Marianne Vermeijden wel te vergeten dat juist deze zieken een van de voornaamste inspiratiebronnen van de twintigste-eeuwse kunst hebben gevormd. Verder kan er niet aan worden ontkomen een Rothko achter een `stalen balk' te plaatsen en ook de topstukken moeten `in vredesnaam' maar achter glas. Maar het is precies daar waar zich een op het hogere georiënteerde opvatting van kunst verraadt, die kunst voor de eeuwigheid wil fixeren en op een afstand wil plaatsen van de mensen wie het aangaat. Als alibi wordt daarbij dan nog de daad genomen van iemand die zich door een kunstwerk geprovoceerd voelde, - alsof kunst ooit iets anders beoogde. Onze reputatie in binnen- en buitenland staat op het spel. Maar waarop worden musea tegenwoordig eigenlijk afgerekend: op hun veiligheidsmaatregelen? Of juist op hun ontvankelijkheid en onbevangenheid? Mij dunkt dat de laatste houding een bij uitstek artistieke houding is.