Eindexamentaal is wetboekproza geworden

Leerlingen van Mavo en VBO maakten gisteren het examen kunstbeschouwing. Allochtone kinderen waren door de vele moeilijke woorden in het nadeel.

De vragen zijn moeilijker dan de antwoorden, zegt Anneke Andriessen. Want natuurlijk zien haar leerlingen wel de verschillen tussen de gevel van de negentiende-eeuwse Kunsthal in Hamburg en die van de twintigste-eeuwse aanbouw. Het zou hun geen enkele moeite kosten vijf of zes verschillen aan te duiden – het ene gebouw heeft bijvoorbeeld een bordes, van het andere is de ingang onzichtbaar; het ene is donker, rijkversierd, het andere is streng en strak wit.

Die twee punten hadden ze dus zo in hun zak kunnen steken. Als ze maar wisten wat dat `gevel' betekende.

Voor de leerlingen van het Individueel Voorbereidend Beroepsonderwijs in de grote steden is elk centraal schriftelijk eindexamen eerst en vooral een examen Nederlands. Ook wanneer het, zoals gisteren, eigenlijk het examen Kunstbeschouwing en Handenarbeid is.

Op de school van Andriessen, de Christelijke Scholengemeenschap Calvijn in Amsterdam, zitten namelijk vrijwel geen kinderen meer met een Nederlandse achtergrond. Dus oefenen ze het hele jaar op woordenschat. Aan de muur van het lokaal hangen de moeilijke woorden van de week. Deze week worden `evenmin', `aanvankelijk' en `beheersen' uitgelegd. Daarnaast heeft Andriessen haar leerlingen nog honderdeenentachtig moeilijke begrippen op het gebied van de kunstgeschiedenis moeten leren. En dan nog kunnen ze struikelen over een woord als `gevel' in vraag 3.

Zelfs voor een school met allemaal blank-Nederlandse leerlingen waren het geen gemakkelijke vragen geweest. Eindexamentaal is wetboekproza geworden. De samenstellers zijn zo bang dat een vraag voor meer dan één uitleg vatbaar is, dat ze zijn terechtgekomen aan de randen van de Nederlandse taal en grammatica. Het is taal waaruit alle leven geweken is. Vraag 26: `Bekijk de nieuwe poort op de afbeeldingen 15, 16 en 17. De poort is opgebouwd uit een groot aantal elementen die een eenheid vormen. Noem drie manieren waarop deze elementen een eenheid vormen.' Of: `Op het eerste gezicht lijkt de poort niet af. Geef voor deze bewering één argument.'

Wie intussen bij het examen Handenarbeid in het voorbereidend beroepsonderwijs had gedacht een lokaal vol zagende of papier-maché-ende kandidaten te zien, die komt bedrogen uit. De vaardigheden die horen bij handenarbeid zijn getoetst tijdens het eindexamenjaar. De leerlingen van Andriessen hebben slingers gemaakt, een `herinneringsdoos' en een `constructie'.

Gisteren resteerde de theorie. En dan niet, of heel spaarzaam, de theorie die je van zo'n examen zou verwachten. Enkele opgaven maar vragen naar `bewerkingstechnieken' van hout, metaal of marmer. (En zelfs dan, ziet Andriessen, schrijven haar leerlingen `solderen' terwijl ze `lassen' bedoelen.)

Het examen test of de kandidaten goed hebben leren kijken in de loop van hun examenjaar. Daarbij wordt hun associatief vermogen op de proef gesteld. Ze moeten schrijven waarom het moderne Guggenheim Museum in Bilbao er `spectaculair' uitziet (examentaal: `Geef voor deze bewering twee argumenten').

Ook bij deze associatie-vaardigheidsproef zijn kinderen met een niet-Nederlandse achtergrond in het nadeel. Een vraag verwijst naar de Wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog (examentaal: `Wereldoorlog II'). Dat mag je gerust culturele bagage noemen en die kennis mag je bij een eindexamen-kandidaat veronderstellen. Maar een extra drempel blijft het.

En je vraagt je af hoe bruikbaar, of hoe belangrijk de kennis die gisteren werd getoetst, is voor VBO-leerlingen. Het is algemene vorming in de ruime zin van het woord, maar dan wel toegesneden op een handvol geestdodende vragen over laat-negentiende eeuwse architectuur, over de kenmerken van een Euro-biljet of over de contrasten in een beeld van Brancusi.

Geestdodend in die zin dat het op geen enkele manier voor een zestienjarige een kunstbeschouwelijke uitdaging kan zijn om twee aspecten te noemen `die bijdragen aan het eenvoudig karakter van de klok', door Hendrik Wouda ontworpen in 1926. De zwart-rode klok is vierkant en er zit behalve de wijzerplaat geen versiering op. Weer twee punten erbij. Maar je hebt er verder niets mee over de klok gezegd, niets geleerd over hoe de ontwerper te werk is gegegaan, niets over de invloed van het tijdvak waarin de klok is gemaakt op de ontwerper. Je hebt iets gezegd over een plaatje. Niets over een kunstwerk.

Wat levert zo'n examen op? Dat als de Euro wordt ingevoerd, in 2002, een kapster kan zeggen: `Ik werd aanvankelijk vooral gegrepen door die elementen van het bankbiljet die, verwijzend naar de neo-classicistische architectuur, de Europese samenwerking symboliseren. En ik kan u twee argumenten geven voor deze bewering.'