`Een zaak van jullie eigen geweten'

Als er al een speciale band tussen Indonesië en Nederland bestaat, ligt die in het verleden, niet in het heden. Vijftig jaar na de soevereiniteitsoverdracht zijn de betrekkingen tussen beide landen normaler dan ooit.

ECONOMISCHE CRISIS en politieke instabiliteit – dit zijn geen tijden voor Nederland om grootse en meeslepende initiatieven te ontplooien richting Jakarta. De handel heeft zwaar te lijden, de investeringen zijn fors teruggelopen sinds het uitbreken van de financiële crisis, twee jaar geleden. En ook politiek is er op dit moment weinig eer te behalen: sinds het aantreden van president Habibie, vorig jaar mei, is geen Nederlandse bewindspersoon meer naar Indonesië afgereisd. Officieel heet het dat het, na de vorig jaar toegezegde Nederlandse bijdrage aan de internationale schuldsanering van Indonesië, nog veel ,,te vroeg is om verdergaande beslissingen te nemen'' over invulling van de bilaterale relatie met Indonesië.

Afwachten luidt dus het devies. Maar één ding staat wel vast: ook als de rust eenmaal is teruggekeerd, Jakarta na de parlements- en presidentsverkiezingen een stabiele en democratische regering zou krijgen en het land de draad van economische voorspoed weer weet op te pakken, zal Nederland geen grootse en meeslepende daden meer verrichten in Indonesië.

Althans niet grootser en meeslepender dan die van andere landen. Vijftig jaar na de soevereiniteitsoverdracht (27 december 1949) en 35 jaar na de overdracht van westelijk Nieuw-Guinea lijken de betrekkingen tussen Nederland en Indonesië `normaler' dan ooit. Dat wil zeggen: misschien nog niet geheel, maar toch wel grotendeels ontdaan van post-koloniale complexen.

Helemaal ongevaarlijk is die stelling niet. Historische trauma's kunnen lang onder de oppervlakte sluimeren om plotseling in volle hevigheid tot uitbarsting te komen. Dat bleek nog maar een paar jaar geleden uit de heropgeleefde commotie over oorlogsmisdaden tijdens de `politionele acties', de felle discussies over `landverrader' Poncke Princen en de polemiek over de vraag of koningin Beatrix tijdens haar bezoek aan Indonesië in 1995 excuses zou moeten aanbieden voor het nog niet zo heel lang vervlogen koloniale verleden van het koninkrijk.

Dat Indië-debat is, voorzover het nog voortduurt, vooral een Nederlandse worsteling, gevoed door de persoonlijke emoties van de honderdduizenden Nederlandse-Indiërs en oorlogsveteranen. Een maatschappelijk debat dat de Indonesiërs graag aan de Nederlanders zelf overlaten. Zoals bijvoorbeeld professor Emil Salim – ceremoniemeester tijdens Indonesië's 50-jarige onafhankelijkheidsviering in 1995 – fijntjes liet blijken toen hij zei dat zijn land niet zou aandringen op verontschuldigen voor het koloniale verleden: ,,Nederlanders, dit is een zaak van jullie eigen geweten.''

Anders ligt het met de vraag hoe Nederland met Indonesië dient om te gaan. Daarover had Jakarta drie jaar eerder, op 25 maart 1992, al opheldering verschaft: op die (vooral in Nederland zo gevoelde) historische datum verbrak Indonesië de ontwikkelingsrelatie met Nederland. Daarmee, zo schreef president Soeharto, werd een eind gemaakt aan ,,de overdreven ijver om Nederlandse ontwikkelingshulp in te zetten als werktuig om Indonesië te intimideren''.

Dat was een sneer aan het adres van minister Pronk (wegens diens aanhoudende kritiek op de situatie van de mensenrechten in Indonesië), maar ook de terechtwijzing van een snelgegroeide, zelfbewuste natie aan de vroegere kolonisator dat zij ook als zodanig behandeld wilde worden. Met andere woorden: voor zover in Nederland een `speciale' band wordt gevoeld tussen Nederland en Indonesië, ligt die toch vooral in het verleden en niet in de toekomst.

President Soeharto moest vorig jaar het veld ruimen, het politieke klimaat in Indonesië is na zijn vertrek ingrijpend veranderd, maar de echo van zijn boodschap klinkt nog steeds door. Het doorsnijden van de paternalistische ontwikkelingsrelatie zal, zo voorspelde Soeharto in 1992, ,,ongetwijfeld leiden tot een verbetering in de betrekkingen tussen de twee naties''. Toen koningin Beatrix in 1995 een staatsbezoek aan Indonesië bracht, was dat ,,een lastige reis vol historische, politieke en emotionele lading'', schreef deze krant.

De `nieuwe' politieke realiteit van de relatie tussen Nederland en Indonesië blijkt het duidelijkst uit de cijfers van Ontwikkelingssamenwerking. Tot het verbreken van de ontwikkelingsrelatie besteedde Nederland jaarlijks ongeveer 300 miljoen gulden in Indonesië. Vorig jaar werd de relatie hersteld in een briefwisseling tussen president Habibie en premier Kok, waarmee de weg vrij werd gemaakt voor Nederlandse deelname aan sanering van de Indonesische schuld via de zogeheten Club van Parijs. Minister Herfkens heeft daarvoor 198 miljoen gulden uitgetrokken, uitgesmeerd over drie jaar. Daarnaast werd recentelijk zeven ton noodhulp gegeven voor de Molukken, is een miljoen gulden beschikbaar voor de komende verkiezingen en vijf miljoen voor armoedebestrijding – programma's die worden uitgevoerd door internationale instellingen en niet-gouvernementele organisaties. Op hervatting van omvangrijke bilaterale hulpprojecten hoeft niet te worden gerekend: op het nieuwe, uitgedunde lijstje van `concentratielanden' komt Indonesië niet voor.

Maar wat de afgelopen jaren niet langer onder de noemer van `hulp' mocht worden gegeven, is voor een deel opgevangen door extra subsidies van andere departementen. Nog in hetzelfde jaar dat Indonesië de breuk forceerde, werd toenmalig minister van Onderwijs, Ritzen, door Soeharto ontvangen om te praten over vernieuwing van het Cultureel Akkoord, en tekende hij een overeenkomst voor een aantal nieuwe en oude vormen van wetenschappelijke samenwerking, gebaseerd op `wederzijds belang' en `gelijkwaardigheid'. Dat ongeveer 150 Indonesische beursstudenten hun studie in Nederland abrupt moesten afbreken door de ingreep van Soeharto, werd daarmee niet voorkomen. Het toenemend aantal Indonesische jongeren dat nu in Nederland studeert, is door rijke families gestuurd.

En dan zijn er natuurlijk de puur economische belangen, van oudsher ,,de kurk'' waarop Nederland in Indië dreef. Met de koningin reisde vier jaar geleden een groot gezelschap ondernemers mee; Economische Zaken nam bevordering van handel over van Ontwikkelingssamenwerking, onder andere via een speciaal `Exportfinancieringsarrangement Indonesië', goed voor 250 miljoen gulden aan subsidies over een periode van zeven jaar. Daardoor is ,,de laatste jaren veel bijgedragen aan de bilaterale economische relatie met Indonesië''. Maar ditmaal is het de financiële crisis die slachtoffers maakt zonder rekening te houden met goedbedoelde intentieverklaringen.

In 1997 bedroeg de Nederlandse export naar Indonesië nog 1,1 miljard gulden, vorig jaar bleef de teller steken op 440 miljoen gulden (terwijl omgekeerd de Indonesische invoer in Nederland lichtjes steeg van 2,13 naar 2,47 miljard gulden). Afgaande op de verzuchtingen in het bedrijfsleven zal het beeld dit jaar niet veel florissanter zijn.

Ook investeerders wachten af in de huidige, onzekere omstandigheden. De omvang van de Nederlandse investeringen in Indonesië verachtvoudigde in het jaar na het bezoek van de koningin (van 103 miljoen gulden in 1995 naar 895 miljoen gulden), maar daarna ging het snel bergafwaarts: 500 miljoen in 1997, 282 miljoen vorig jaar. Overigens ligt het investeringsniveau daarmee nog aanmerkelijk hoger dan in de periode 1988-1993, met als dieptepunt het rampjaar 1992 van de `ontwikkelingsbreuk' toen per saldo 20 miljoen gulden werd gedesinvesteerd.

Maar in de relatie Nederland en Indonesië gaat het natuurlijk om meer dan alleen maar geld (hoewel de historische betekenis daarvan nauwelijks onderschat kan worden). Het koloniaal samenzijn heeft op cultureel, sociaal en wetenschappelijk gebied tal van banden geschapen. De uitdaging is ook die betrekkingen te vernieuwen, en om de stereotype ,,oriëntalistische'' beeldvorming over Indonesië te doorbreken, zegt mevrouw Djajadiningrat-Nieuwenhuis, vice-voorzitter van Forum Nederland-Indonesia, een vier jaar geleden opgericht platform van Nederlandse en Indonesische persoonlijkheden, non-profit instellingen en bedrijven.

Enerzijds is er nog steeds het gevoel van tempo doeloe, zijn er de pasar malams (,,daar is niets mis mee''), anderzijds wordt over Indonesië gesproken in termen van kritiek op het dictatoriale bewind (onder Soeharto) en corruptie. Maar inzicht in de ontwikkelingen in het hedendaagse Indonesië onbreekt vaak, zegt mevrouw Djajadiningrat-Nieuwenhuis.

Om de banden met het `moderne'Indonesië te intensiveren, organiseert het forum stageplaatsen van maximaal een half jaar voor in Indonesië afgestudeerde jongeren bij Nederlandse bedrijven, universiteiten, ziekenhuizen en overheden, maar haalt het ook Indonesische kunstenaars naar Nederland. Vorig jaar was er in Nederland een tentoonstelling van Indonesische architecten, en vorige maand toonden Indonesische filmmakers hun werk op het Festival Indonesische Cinema in Den Haag. ,,Niet de besluitvormers, maar wel de culturele elite die laat zien: dit is het moderne Indonesië'', zegt mevrouw Djajadiningrat-Nieuwenhuis.