`Discussie'

Het zag er zo veelbelovend uit. Drie intellectuelen van naam die in Felix Meritis in Amsterdam zouden discussiëren over Kosovo. Abram de Swaan, Paul Scheffer en György Konrád, de Hongaarse schrijver, zijn al langer `intellectuele vrienden'. Ze hadden elkaar een dezer dagen weer eens ontmoet en spontaan besloten een openbaar discussieavondje te beleggen.

Niets op tegen, als het zaakje maar goed geleid wordt. De belangstelling was zeer matig – enkele tientallen bezoekers – maar dat kan de intimiteit alleen maar vergroten.

Helaas.

Gespreksleider Steve Austen verzocht de sprekers een korte inleiding te houden. Dat zou bij decreet verboden moeten worden. Korte inleidingen bestaan namelijk niet.

Scheffer begon een twintig minuten durende lap tekst in de Duitse taal voor te lezen. Loodzware volzinnen, niet allemaal goed verstaanbaar. Gelukkig kenden we zijn standpunt: hij is tegen de bombardementen. Hij hanteerde weer zijn bekende argument dat geweld alleen mag worden toegepast vanuit zelfverdediging. Een standpunt dat op het eerste gezicht geweldig nobel lijkt, maar bij nader inzien in zijn consequenties zo ongeveer alle egoïsme van de wereld vertegenwoordigt: wie van mij afblijft, mag zijn gang gaan.

De Swaan trok er een kwartier voor uit om in vloeiend Engels de stellingen van Scheffer te bestrijden. ,,Bij diplomatie horen, impliciet of expliciet, bedreigingen en die moeten eventueel waargemaakt worden.'' Hij steunde dan ook de NAVO-interventie, al vond hij de uitvoering halfhartig. Tegen Scheffer zei hij later nog: ,,Er is geen recht dat zonder wapens beschermd kan worden.''

Toen begon Konrád – tegen de oorlog – aan zijn inleiding. Het werd tevens een uitleiding. Terwijl de gespreksleider, versteend van beleefdheid, bleef knikken, nam Konrád met ons de geschiedenis van de Balkan door. Het was het wijdlopigste, saaiste en onsamenhangendste betoog dat ik ooit door een intellectueel in het openbaar heb horen houden. En dat alles in het moeizame Engels van een Oekraïner die sinds drie weken taxichauffeur in New York is.

Wat doet de mens die gedwongen is naar een slechte spreker te luisteren? Na vijf minuten verwisselt hij van zitbil, na tien minuten verlangt hij naar koffie, na twintig minuten krijgt hij erotische fantasieën, na dertig minuten vervloekt hij zijn gedweeheid, na veertig minuten huilt hij in stilte, na vijftig minuten beseft hij de zinloosheid van het leven.

Het duurde vijfenvijftig minuten. Toen zei Konrád: ,,Ik weet dat ik lang sprak, maar er waren een paar toevoegingen nodig.''

Daarna was er nog een kwartiertje over om écht te discussiëren.

In zekere zin was de avond symbolisch voor het hele Kosovo-debat. Niemand luistert naar elkaar, ieder houdt zijn eigen verhaal, want de standpunten liggen vast, ook al ontbreken er nog zoveel feiten.