De strijd tegen de leegstand

De huurwoning is op haar retour. Al tijden. Voor het eerst overtrof vorig jaar het aantal koopwoningen in Nederland het aantal huurhuizen. Straks hoort de huurwoning net zo bij de jaren vijftig en zestig als de kolenboer en de fietsende ijscoman.

De opmars van de koopwoning wordt door de markt en de Nederlandse welvaart geleid. Nederland barst van het geld, en dat vermogen snakt ernaar om te worden omgezet in bezittingen. Als je voor 800 gulden per maand een huis kunt kopen, dan ga je voor 700 gulden per maand toch niet huren? Wie geen hypotheek afsluit, is een dief van zijn eigen portemonnee.

De overheid stimuleert het bezit van huizen met een even unieke als royale hypotheekaftrek. In geen ander land ter wereld worden bezitters op een dergelijke mammoetschaal gesubsidieerd. En zelfs minvermogenden krijgen van deze overheid de kans hun huis te kopen, als de Subsidieregeling Eigen Woningbezit door het parlement wordt bekrachtigd. Wie over tien jaar nog huurt, moet wel sociaal zwak of jonge eenverdiener zijn.

Door de groeiende populariteit van koophuizen worden woningbouwverenigingen in toenemende mate geconfronteerd met een verschijnsel dat sinds de Tweede Wereldoorlog decennialang ondenkbaar was: leegstand. In 1997 hadden 15.000 woningen in de sociale sector langer dan drie maanden geen bewoners, zo blijkt uit het Toezichtverslag dat staatssecretaris Remkes (Volkshuisvesting) onlangs aan de Tweede Kamer stuurde. Dat kostte de corporaties 223 miljoen gulden aan huur.

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is die leegstand van sociale woningbouw vorig jaar voor het eerst in tijden weer gedaald. Niet omdat de interesse voor huurhuizen aantrok want die loopt nog steeds terug. De corporaties verkochten vorig jaar 18.000 huizen aan de bewoners, tien procent meer dan in 1997. En ze sloopten 6.400 huizen, bijna eenvijfde meer dan het jaar daarvoor. Slechts door huurwoningen aan de sociale sector te onttrekken, kon de leegstand worden ingedamd.

Alleen in de provincie Flevoland is de leegstand vorig jaar met een kwart gestegen tot 10 procent van het sociale woningbezit, meer dan tien keer het landelijk gemiddelde. Tenminste volgens cijfers van het CBS die door de autoriteiten in die provincie met vuur worden betwist. De heftigheid van die reacties heeft te maken met het negatieve imago waarmee vooral provinciehoofdstad Lelystad al te lang heeft te kampen. Als stad zonder hart midden in de polder. Met een overmaat aan huizen en een tekort aan werkgelegenheid.

Dat beeld is achterhaald, zegt iedereen in Lelystad, van de stadsbestuurder tot de voormalige bewoners van de spookwijk Schouw-Oost. Kom niet aan Lelystad. Ook bij woningbouwvereniging Centrada bezweren adjunctdirecteur drs. M. Stoopendaal en hoofd doelgroepen & voorraad G. Straakenbroek dat de neerwaartse spiraal definitief doorbroken is. Centrada heeft bijna 12.000 huizen, tachtig procent van het totale aantal huurwoningen, bijna de helft van het stedelijk woningbezit.

Lelystad had streekcentrum van een agrarisch gebied moeten worden. Zo hadden beleidsmakers en planologen dat bedacht. En toen Lelystad dreigde uit te groeien tot een forenzengemeente voor de overvolle Randstad, schiepen zij een nieuwe stad: Almere. Het succes van die stad die zoveel dichter bij Amsterdam lag, trof een Lelystad in volle bloei.

Het dieptepunt dateert alweer van vijftien jaar geleden. De gemeente kreeg financiële curatele. De woningbouwverenigingen die zuchtten onder een leegstand van 2.000 huizen, moesten het zonder bijstand doen. Jarenlang slaagden overheden en corporaties er niet in hun krachten te bundelen, waardoor de malaise nodeloos verlengd werd. Gemeente en Centrada, dat twee jaar geleden bij een fusie van corporaties werd gevormd, roemen intussen de samenwerking die de laatste jaren is ontstaan.

In de strijd tegen de leegstand heeft Centrada de laatste drie jaar 2.000 huizen verkocht. Die verkoop moest ook de uittocht van huurders keren die anders elders hadden gekocht. De komende jaren wil Centrada nog eens 3.000 tot 4.000 huizen van de hand doen, waarvan 70 procent aan mensen die van buiten Lelystad komen. Zo moet de geplande groei van de provinciehoofdstad van 60.000 naar 80.000 worden ondersteund.

Om de nog steeds bestaande leegstand geforceerd te verlagen, maakt Centrada gebruik van een list. Anders dan corporaties in de grote steden beschikt de woningbouwvereniging niet over oude, verkrotte, afgeschreven huizen die gesloopt kunnen worden. Maar achter het station en uitkijkend op het provinciehuis ligt wel de wijk Schouw-Oost, met golfplatendaken vol asbest. Eind vorig jaar maakte de woningbouwvereniging bekend dat de buurt ontruimd moest worden. De meeste van de meer dan 700 huizen zijn al dichtgespijkerd en tuinen zijn verwilderd. Bewoners konden kiezen uit het ruime aanbod van Centrada aan onbewoonde huizen. Leegstand concentreert zich in toenemende mate in de asbestbuurt en loopt in andere wijken terug, van 9,3 procent eind december tot 7,5 procent een kwartaal later. Geluk bij ongeluk.

De 72-jarige mevrouw T. Visser, ex-bewoonster van Schouw-Oost, woont inmiddels in de Botterbuurt. Maar ze wandelt nog elke dag door haar oude wijk, waar ze 21 jaar lang heeft gewoond. Kritiek op Centrada zul je van haar niet horen. Er is al genoeg op Lelystad gekankerd. Ze heeft niet het idee dat zij en haar buurtbewoners geslachtofferd zijn om een leegstandsprobleem op te lossen. Uit oogpunt van volksgezondheid had Centrada geen andere mogelijkheid.

In Lelystad bestond tien jaar geleden nog 72 procent van het woningbezit uit huurwoningen. Dat percentage moet over acht jaar tot 30 zijn teruggebracht. De onzichtbare hand van de markt wijst in die richting, de bevolking smeekt erom. En zo is het ook elders in Nederland. Op VINEX-locaties aan de rand van de steden verrijzen de koopwoningen waarvan de laatste huurders dromen. Terwijl de oude wijken verkrotten en verpauperen. Over kapitaalverlies, sociale consequenties, de leefbaarheid van binnensteden maakt niemand zich druk.