De komiek

Toen mijn ouders vaste verkering kregen was dat, wegens het geloofsverschil, een doorn in het oog van mijn vaders vader, meester-schoenmaker en goed katholiek met een zachtmoedige vrouw en negen kinderen. Het was dan ook een bekend verhaal in de familie dat hij het nietsvermoedende jonge paar destijds in de stad had gevolgd en het en plein public had gescheiden door elk een andere kant op te sturen met de legendarische woorden: `Jij deze kant op en jij die.' Zijn theatrale gebaar had het averechtse effect, en aangezien mijn van huis uit protestantse moeder het hem nooit had vergeven, was de verhouding tussen haar en haar schoonvader altijd uiterst kwetsbaar geweest.

Wanneer hij mij zondagsochtends voor een wandelingetje kwam halen – hij was toen van middelbare leeftijd en na de dood van zijn vrouw hertrouwd – maakte zij dat ik aangekleed klaarstond om zijn aanwezigheid niet langer dan strikt noodzakelijk te hoeven dulden. Bovendien placht ze mij vlak voor hij arriveerde op het hart te drukken me niet door hem te laten zoenen, hetgeen mij als vierjarige in een verwarrende situatie bracht, daar hij de gewoonte had dit juist wel te doen.

Het verbod berustte op het feit dat hij volgens haar zeggen `pruimde en dronk', eigenschappen die een verontrustende betekenis kregen door de manier waarop zij erover sprak, en die een onveilig gevoel bij mij opriepen jegens de oude man die ik opa noemde. Zodra hij in zijn zondagse uitrusting – een grote zwarte hoed, wit vest en wandelstok met zilveren knop die hij zwierig onder zijn arm hield – in de kamer verscheen, deinsde ik achteruit, wat hem niet belette mij het laakbare bewijs van zijn genegenheid te tonen.

Aldus liet ik mij iedere week met heimelijke tegenzin aan de hand van mijn grootvader van ons huis in de Schoterbosstraat naar het centrum leiden, waar zijn dochter en schoonzoon op een hoek van de Botersloot een café dreven en ik vanuit de verte het vertrouwde beeld van de vrouw met de veren molentjes aan een lange stok zag opdoemen, die bij het minste zuchtje wind in duizend kleuren ronddraaiden. Hoewel ik er soms een mocht uitkiezen, kon het mijn knagende schuldgevoel tegenover mijn moeder niet wegnemen als we het café betraden, waar hij luidruchtig werd verwelkomd en zich bij de mannen aan de tapkast voegde, na mij met een glas ranja of grenadine en een hele stapel bierviltjes, waar ik torens van maakte, aan een tafeltje bij het raam te hebben geïnstalleerd.

Wanneer ik in het portaal van het ouderlijk huis met de onontkoombare zoen, die naar jenever rook, werd afgeleverd, trok opa zich schielijk terug en zweeg ik intuïtief over het door hem gefrequenteerde etablissement aan de Botersloot om mijn moeder niet te ontstemmen en mijn vader niet in verlegenheid te brengen, die zijn vader nooit wilde afvallen. Toch heeft hij zich later wel eens misprijzend over hem uitgelaten. Zo had hij als zesjarige voorgoed zijn vertrouwen in hem verloren, toen hij zijn eerste zwemlessen van zijn vader zou krijgen, waarbij deze hem onverhoeds in het diepe had geworpen met de uitroep `Zwemmen!' en het spartelende kind had moeten naspringen om het van de verdrinkingsdood te redden.

Ook heeft mijn vader hem nooit zijn overmatig drankgebruik vergeven, evenals het een blijvende wrok bij hem had achtergelaten dat hij hem had gedwongen zo van school het verafschuwde kappersvak te gaan beoefenen, een vak dat hij op een goed moment had verruild voor een broodwinning op de planken. Hiervoor had hij overigens al de nodige ervaring opgedaan door zijn vader te assisteren, die in de omgeving van Rotterdam veel bekendheid had verworven als komiek op bruiloften en partijen, waar hij er niet voor terugschrikte om na afloop een ham of worst onder zijn jas mee te nemen, tot diepe verontwaardiging van zijn zoon, wiens bezwaren hij wegwuifde met de opmerking dat die rijke boeren er genoeg hadden.

Ik was tien jaar, en we woonden allang niet meer in de Schoterbosstraat, toen ik na geruime tijd opnieuw met mijn grootvader werd geconfronteerd. Oorzaak van de verwijdering was mijn moeders uitdrukkelijke wens geweest hem niet meer te ontvangen, daar hij na de mislukking van zijn tweede huwelijk een veel jongere vrouw had getrouwd, bij wie hij op vergevorderde leeftijd – hij was zeventig – nog een kind had verwekt. Het onverwachte weerzien bleek het gevolg te zijn van het voor die tijd fabelachtige bedrag van tienduizend gulden dat hem door de staatsloterij was uitgekeerd, en dat enige verandering bracht in mijn moeders bedenkingen tegen zijn lichtzinnige levenswandel. ,,Daar kan hij minstens twee pandjes van kopen'', had zij opgewonden tegen mijn vader gezegd, die het verbijsterende nieuws stoïcijns opvatte en ondanks haar aandringen weigerde hem te gaan feliciteren. Daardoor rustte op mij de onverkwikkelijke taak om me met een door haar opgesteld briefje naar de Agniesestraat te spoeden, waar mijn grootvader mij zonder een teken van herkenning in de deuropening van een armzalig benedenhuis te woord stond. Na een vluchtige blik op het epistel, waarin zij hem gelukwenste en aanbood hem met deskundig advies terzijde te staan – haar ouders hadden vroeger hun geld in huizen belegd – gaf hij het mij onbewogen terug met de mededeling: 'Geen belangstelling. Zeg dat maar tegen je moeder.'

Een jaar later hoorden we van de oom en tante uit het café aan de Botersloot dat hij het kapitaal er volledig `doorheen had gejaagd' met reizen naar Brussel en Parijs, waarop we kort daarna vernamen dat hij in het Sint-Franciscusgasthuis was gestorven. Het bericht bereikte ons op een zaterdagmiddag, wat ik nog precies weet omdat we op die dag altijd gebakken aardappelen aten. Terwijl mijn moeder de inhoud van de koekenpan over de borden verdeelde, maakte zij een paar schampere opmerkingen over de ontslapen `meneer de komiek' en zei iets over de trijpen pantoffels die hij lang geleden voor mijn vader had gemaakt en die deze zelf had moeten betalen. Zij zweeg echter abrupt toen mijn vader plotseling hevig begon te huilen en ik machteloos van schrik en medelijden zijn tranen op de gebakken aardappelen zag vallen.

Op vrijdag 28 mei ontvangt Tonny van der Horst uit handen van burgemeester mr. I.W. Opstelten van Rotterdam de Leeskabinetprijs voor haar gehele oeuvre.