D66, van wonderkind naar total loss

Herkenbaarheid, daar gaat het D66 sinds de Tweede-Kamerverkiezingen van vorig jaar om. De partij werd bij die gelegenheid bijna gehalveerd, en kreeg daarmee van de kiezer een onvervalste paradox gepresenteerd. De grondlegger van electoraal gesproken één van de meest succesvolle regeringscombinaties uit de parlementaire geschiedenis, verloor zelf een recordaantal zetels. PvdA en VVD incasseerden de winst van hun huwelijk, waartoe ze vier jaar eerder door koppelaarster D66 waren gedwongen. Bedankjes zijn in de politiek een schaars goed, zo bleek weer eens.

Het slachtoffer zelf reageerde met de klassieke reflex: de partij diende meer profiel te krijgen, want de kiezer had het kennelijk niet begrepen. PvdA en VVD waren zo vriendelijk D66 daar een beetje bij te helpen. Geheel in strijd met de onderlinge krachtsverhoudingen, kreeg de partij in het nieuwe paarse kabinet drie ministersposten en werd er in het regeerakkoord een vage tekst over de gekozen burgemeester opgenomen.

Maar, zoals de uitslag van de Proviciale Statenverkiezingen van een paar maanden geleden duidelijk maakte, zag de kiezer D66 nog steeds niet staan. De glijvlucht ging onverminderd voort. Dus greep D66 naar het medicijn waar tot nu toe de PvdA het patent op had na verloren Statenverkiezingen: er werd een breuk in het kabinet veroorzaakt. Weliswaar op een presenteerblaadje aangereikt door de VVD-senator Wiegel, maar dat doet er niet toe. Had D66 er florissant voorgestaan, dan zou de partij het zelfrespect vorige week niet zo hoog hebben opgespeeld. Maar opnieuw laat het electoraat zich van zijn onbarmhartigste kant zien. De crisis wordt in het geheel niet begrepen, laat staan dat D66 er voor wordt beloond.

En zo heeft D66 dan nu de fase van de behoedzame terugtocht bereikt. De krijgshaftige taal van vorige week (,,nieuwe verkiezingen'') is vervangen door omfloerste bewoordingen om het lijmproces niet te verstoren. Dat alles in de wetenschap dat de plotselinge inkeer wederom niet zal worden begrepen. De paarse plattitude van de win-win situatie is voor D66 omgeslagen in een loss-loss situatie. In alle gevallen zal D66 als de grote verliezer uit de bus komen.

Voor D66-leider De Graaf rest alleen de troost dat hem niet verweten kan worden verkeerde keuzes te hebben gemaakt. Toen vijf VVD-senatoren tegen het grondwetsvoorstel voor het correctief referendum dreigden te stemmen, moest hij de zaak wel hoog opspelen. Het referendum is voor D66 wat de Zalmnorm voor de VVD is. Een kabinet mag de machtsvraag stellen, maar een coalitiepartner evenzeer, zeker als het om zo'n identiteitsgevoelig en zwaar bevochten punt als het referendum gaat. Daar komt bij dat de waarschuwende woorden van De Graaf, later overgenomen door Kok ook wel degelijk hebben gewerkt: vier van de vijf VVD-dissidenten zijn onder de druk van een dreigende kabinetscrisis overstag gegaan. Het was het ene relikwie uit de jaren zeventig, Hans Wiegel, dat het andere relikwie uit die tijd, het referendum, torpedeerde.

Wiegel stond voor zijn principes, wordt er gezegd. Dat is nieuw. Tot voor kort was het enige principe van Wiegel het hebben van geen principes. Toen CDA-minister van Financiën Andriessen in 1980 uit het kabinet-Van Agt stapte vanwege het te slappe bezuinigingsbeleid, bleef `puinruimer' Wiegel omwille van het coalitiebelang zitten. Soortgelijke flexibiliteit had Wiegel in 1972 getoond ten tijde van de val van het kabinet-Biesheuvel. `Wiegelarijen rondom een crisis' heet het boekje dat de journalist Dick Houwaart samenstelde naar aanleiding van die gebeurtenissen.

De Graaf heeft de factor Wiegel onderschat. Daarin is hij niet de enige geweest. De tegenstem van Wiegel was voor iedereen een verrassing. Maar hoe zou de zaak zijn uitgepakt voor D66 als niet van tevoren met een crisis was gedreigd en het wetsvoorstel in de senaat was verworpen? Dan zou de partij vanwege haar beginselloosheid zijn gemangeld. En terecht.

Strategische fouten zijn er pas na de nacht van Wiegel gemaakt. Toen in het kabinet werd geopperd de strijd met het parlement aan te gaan door het verworpen voorstel onmiddellijk nog eens in te dienen, hebben de D66-ministers die suggestie in hun verongelijktheid veel te snel verworpen. Door bovendien direct te pleiten voor vervroegde verkiezingen en niet voor een lijmpoging, laadde De Graaf de verdenking op zich andere motieven te hebben. Het is nu eenmaal een gegeven dat D66 in de oppositie beter gedijt dan in het kabinet.

Maar eveneens is het een feit dat D66 in de oppositie al lang niet meer groeit op eigen kracht, maar volledig afhankelijk is van het disfunctioneren van anderen. Het redelijk alternatief fungeert al jaren als politieke vluchtheuvel. De spectaculaire winst uit 1994 toen D66 een sprong van 12 naar 24 zetels maakte was volledig te danken aan de inertie die het derde kabinet-Lubbers uitstraalde.

Kiezers zijn in het geheel niet gecharmeerd van het ideeëngoed van D66. Dat lieten de peilingen na de crisis vorige week zien. De partij zakte slechts verder weg na de breuk over het referendum. Staatkundige vernieuwing leent zich goed voor beschouwingen in de vakliteratuur, niet voor de bühne. Het thema milieu, in de jaren zeventig geclaimd door D66, heeft reeds bij alle partijen een plekje gekregen en specifiek bij GroenLinks. De identiteit die D66 zich onlangs heeft aangemeten met de ondertitel sociaal-liberaal, is niet meer dan cosmetica. Het programma dat de jongerenbeweging Opschudding aan dit begrip heeft proberen vast te koppelen, straalt een schattige nietszeggendheid uit.

D66 kan nu kiezen tussen twee kwaden. Akkoord gaan met lijmen betekent verder lijden in de coalitie zonder uitzicht op electoraal herstel. Definitief breken betekent een nieuwe halvering bij verkiezingen. De keuze lijkt niet moeilijk, want heeft niet elke terminale patiënt de hoop dat het verlossende medicijn toch nog net op tijd zal worden uitgevonden? Hoop op betere tijden, het is niet veel voor het bestaansrecht van een politieke partij.