Antisemitisme in rok

Het maart-nummer van De Gids uit 1939 bevatte een `objectieve' bijdrage van mr. A.F. Zwaardemaker over `het joodse probleem als internationaal probleem'. De schrijver

Menno ter Braak trok daarop in De Blaasbalg van leer tegen het verkapte antisemitisme dat zich voordeed als objectieve beschouwingswijze.

Het antisemitisme is een der gevaarlijkste verschijnselen van onze tijd. Niet in de eerste plaats, omdat het zich tegen de joden richt, maar omdat het een symbool is van een grof simplistische denkwijze. Reeds het feit trouwens, dat het zich tegen `de' joden richt – als zou er niet een immens verschil bestaan tussen de ene en de andere jood – is een bewijs van de plebejische mentaliteit van het antisemitisme; het is gespeend van alle psychologisch onderscheidingsvermogen, het verkwanselt op zichzelf misschien belangrijke gegevens, om op de kudde-instincten van een als dom verondersteld publiek te kunnen werken, het verlaagt het joodse vraagstuk (dat zeker bestaat) tot propaganda voor de meest inferieure doeleinden. Wij bestrijden dus het antisemitisme niet omdat wij filosemieten zijn en van de joden (dat wil zeggen deze of gene jood, deze of gene joodse groepering) geen kwaad kunnen horen, maar omdat wij weten (en in Duitsland nog kortgeleden in de afschuwelijkste vorm gedemonstreerd hebben gezien), dat het antisemitisme een van de grootste vijanden is der menselijke waardigheid. Als zodanig is de strijd tegen deze plebejische vorm van jodenhaat een strijd tegen de cynische mensenverachting van fascisme en nationaal-socialisme in het algemeen. Het openlijke antisemitisme is ongetwijfeld een groot gevaar. Maar dat het voor Nederland het grootste gevaar is, zou ik niet durven beweren, omdat de gemiddelde Nederlander, welke bezwaren men ook tegen hem moge hebben, doorgaans nog te veel gezond verstand heeft om geloof te slaan aan de rancuneuze propaganda van mensen die zichzelf te kort gedaan achten en daarvoor de joden en bloc verantwoordelijk stellen. Gevaarlijkse acht ik het verkapte antisemitisme, dat zich voordoet als objectieve beschouwingswijze; gevaarlijker acht ik het antisemitisme in rok..., dat evengoed antisemitisme is, ook al neemt het de superieure houding aan van de wetenschappelijke wetenschappelijkheid, en al wijst het de brute gewelddadigheid der pogromtechniek met edele verontwaardiging af, want dit deftige antisemitisme is in wezen evenzeer een symptoom van mensenverachting en simplistisch denken; het is niets anders dan de wetenschappelijke of quasi-wetenschappelijke aankleding van het antisemitische gevoel, dat overal, ook in Nederland, latent aanwezig is en op een kans loert om voor de dag te komen.

Een voorbeeld van dit antisemitisme in rok treft men aan in de maart-aflevering van het oude, meestal nog als liberaal beschouwde tijdschrift De Gids, waarin een zekere mr A.F. Zwaardemaker een beschouwing geeft over `Het joodse probleem als internationaal probleem'. De redactie van het voormalige orgaan van Potgieter en Busken Huet heeft wat men noemt `nattigheid' gevoeld en zich daarom in een noot ten halve geëxcuseerd over de opname van dit artikel; bijzonder braaf, maar met dat al neemt zij het op omdat, aldus de redactie, `de schrijver denkbeelden uiteenzet, die men, helaas, zelden of nooit op zo waardige, ernstige en objectieve wijze hoort bepleiten'.

Men ziet; het gaat om de waardigheid (niet de menselijke waardigheid), de ernst en de objectiviteit. Al deze kwaliteiten kunnen mij niet beletten, de heer Zwaardemaker een antisemiet in rok te noemen. Gedekt door zijn waardigheid, ernst en objectiviteit, tracht hij zijn lezers murw te maken voor de antisemitische denkwijze, krachtens welke de joden een `volksvreemd' element vertegenwoordigen ( het woord is van de waardige, ernstige en objectieve auteur zelf, al is het overigens made in Germany). Hij geeft daarbij allerlei goede bedoelingen met dit `volksvreemde' element ten beste; behoort waarlijk niet (o neen!) tot de satellieten van Volk en Vaderland, want mr. Zwaardemaker is voor alles een deftig man, die de joden niet uit hun huizen wil slepen of hun ruiten ingooien, volgens de meer populaire gebruiken in antisemitische kringen. De heer Zwaardemaker wil het joodse vraagstuk oplossen... en in dit opzicht zijn wij het allen zeer innig met hem eens. De vraags is alleen, hoe hij het wil oplossen, en welke ideeën hij daarbij aan de hand doet.

Natuurlijk heeft deze auteur ernstige bezwaren tegen het spontane protest dat na de pogroms van november jongstleden uit alle kringen van het Nederlandse volk is opgegaan, en dat voor mijn gevoel een van de weinige verschijnselen van werkelijke spontaneïteit is, waarop ons land trots mag zijn. Alle vertroebelende factoren die aan zulk een collectief protest uiteraard zijn verbonden inbegrepen, blijft dit spontane protest een getuigenis, waarvan men de grote betekenis door geen detailkritiek zal kunnen verkleinen. Maar de heer Zwaardemaker ziet daarin alleen maar overbodige gevoelsuitstorting, in strijd met zijn waardigheid, ernst en objectiviteit. `Men vordert geen steek met louter sympathiebetoon, hoe welgemeend ook, en raakt met vlammende protesten, die aan dat anti-joodse sentiment nieuw voedsel geven, steeds verder in het moeras'.

Hier heeft men de antisemiet in rok, alias de `Realpolitiker', reeds ten voeten uit; hij is bang, dat een uiting van verontwaardiging het anti-joodse sentiment nieuw voedsel zal geven; of, met andere woorden, hij wil, omdat hij het antisemitisme erkent en dus niet meent te mogen bestrijden, water in de wijn doen. `De ontkenning door welmenende lieden ten spijt – van joodse zijde hoorde men zodanige tegenspraak zelden of nooit – moet men, wil men afdoende maatregelen helpen bevorderen, het bestaan van een kiem van rassehaat in geheel Europa als voldongen feit aanvaarden', schrijft de heer Zwaardemaker in het vervolg van zijn betoog. Voilà! Men moet de `kiem van rassehaat' niet langer beschouwen als een van de meest plebejische, mensonwaardige en dus verachtelijke verschijnselen, maar (let wel!) aanvaarden als `voldongen feit'! Zoveel respect heeft de heer Zwaardemaker voor het antisemitisme, dat hij het reeds in de kiem aanvaardt! Natuurlijk, zegt hij verderop, wil hij het niet toejuichen; neen, daarvoor is hij antisemiet in rok, en gesteld op zijn waardigheid enzovoort. Maar wij weten reeds, waar wij aan toe zijn met deze auteur; hij moge geen ordinaire antisemiet zijn, `volksvreemde' elementen zijn de joden voor hem tot iedere prijs. En, meent hij, `elke jood' (elke jood, nota bene) heeft zijn vreemdelingenschap `door alles heen gevoeld'. Men zou er aan willen toevoegen, dat de neiging tot assimilatie, hoe onmogelijk en verderfelijk dan ook in de ogen van de heer Zwaardemaker, ook door zeer veel joden wordt gevoeld, en dat er geen enkele reden is om a priori de ene neiging boven de andere te stellen. De heer Zwaardemaker gaat echter verder.

`Door te verkondigen', zegt hij, `dat de tegenstelling tussen beide groepen niets anders is, dan een gemakkelijk, met wat meer verdraagzaamheid, weg te nemen vooroordeel en te beweren, dat de antisemitische excessen van deze tijd slechts uitingen van ruwe onbeschaafdheid, van gebrek aan menslievendheid of, erger nog, psychische aberraties zijn, maakt men zich schuldig aan grenzeloze oppervlakkigheid'.

Natuurlijk, zoiets mag in een `hoffähig' antisemitisch betoog niet ontbreken; de `excessen' bewijzen waarschijnlijk juist onze vergevorderde beschaafdheid, menslievendheid en psychische evenwichtigheid. Maar neen, zo eenvoudig bedoelt de geachte schrijver het nu ook weer niet; hij wil niet alleen suggereren (`aansmeren' is daarvoor ook een goed Hollands woord), dat er tussen joden en christenen onoverbrugbare kloven gapen, en dat de assimilatie van het joodse ras aan de Europese volken onmogelijk is. Dat die assimilatie in verschillende Europese landen die zich geleidelijker ontwikkeld hebben dan bijvoorbeeld Duitsland of Polen, reeds voor een groot deel een feit is geworden, en dat de kruising van rassen vaak het tegendeel van een ramp betekent, schijnt de heer Zwaardemaker minder te interesseren. Hij houdt niet van halve maatregelen, niet van spontane protesten en niet van assimilatie. `Alleen als men elk streven naar assimilatie uitschakelt, als men zich het bestaan van een algemeen antisemitisch sentiment klaar en duidelijk voor ogen houdt, kan men trachten tot goede oplossingen te komen', verklaart hij op een dictatorstoon, die hem blijkbaar sympathiek is. Hier gaat de antisemiet in rok weer een stap verder. Hij wenst de assimilatie stop te zetten uit geen andere overweging, dan dat het kudde-instinct zich er tegen verzet. Want `het bestaan van een algemeen antisemitisch sentiment' (aangenomen dat het zo algemeen is als de heer Zwaardemaker gelooft) is niets anders dan een hordegevoel, en in plaats van daaraan de voorkeur te geven, boven een op zijn minst niet onredelijk streven naar assimilatie waar die mogelijk is, behoorde men zich te schamen, dat het bestaat, behoorde men juist als `Realpolitiker' pogingen in het werk te stellen deze rancuneuze hordegevoelens in betere banen te leiden!

Onze voortreffelijke en waardige theoreticus laat zich echter nog verder in de kaart kijken, waar hij over het lot der joden in Duitsland gaat mediteren. Hij schrijft: `Bij het zoeken naar een regeling late men de kans, dat ooit een terugkeer naar Duitsland mogelijk zou zijn, buiten beschouwing. Zelfs voor het mijns inziens volkomen denkbeeldige geval dat het nationaal-socialisme voor een democratisch regiem plaats zou maken, is een terugkeer naar de oude toestand uitgesloten. De nationale bewustwording aan Duitse, doch ook aan joodse zijde, de algemene vereenzelviging in Duitsland van elk joods streven met het marxisme maakt dit volkomen onmogelijk. Juist daarom zijn alle daverende protesten, die geen ander gevolg kunnen hebben, dan het tempo van de crisis in het joodse vraagstuk te versnellen door het aanblazen van de Duitse verbittering, onvruchtbaar. Tegenover de joden in Duitsland zelf die de reactie aan den lijve moeten boeten, zijn zij onverantwoordelijk. Ten aanzien van ons eigen Vaderland zijn ze misdadig, omdat zij de, voor ons land broodnodige, rustige en goede verstandhouding met al onze naburen verstoren.'

Reeds het feit dat de heer Zwaardemaker een terugkeer van de democratie zo volkomen denkbeeldig acht, zegt een en ander over zijn ware gezindheid, aangezien hij toch wel kon weten, dat de oppositie in Duitsland, hoe chaotisch en ongeorganiseerd ook, met de dag toeneemt. Maar goed, wij gunnen hem deze overtuiging; fraaier is het, dat hij een aperte leugen, namelijk `de algemene vereenzelviging in Duitsland van elk joods streven met het marxisme' tot uitgangspunt kiest voor de schitterende oplossingen van het joodse vraagstuk die hij ons aan de hand gaat doen. Om een leugen in bescherming te nemen, ontzegt hij het Nederlandse volk het recht te protesteren tegen de pogroms; en een dergelijke hypocrieten-moraal zou niet misdadig zijn voor het `eigen Vaderland'? Het wil mij voorkomen dat geen actie het Nederlandse volk meer kan schaden dan het prediken van dergelijke consideratie ten opzichte van de leuze die door een geraffineerde propaganda aan een ander volk is opgedrongen, en die ons straks ook zal worden opgedrongen wanneer wij niet nauwkeurig acht slaan op het drijven van de hele en halve leugenprofeten, in hemd of in rok. Alles is beter dan de consideratie jegens de leugen; en het waardige, ernstige en objectieve standpunt van de heer Zwaardemaker kan men zonder meer herleiden tot angst voor de overmacht, gecamoufleerd als oplossing van het joodse vraagstuk. Dat de heer Zwaardemaker bang is voor de oostelijke buurman kan men zich zeer goed voorstellen, maar dat hij die angst afreageert in een even simplistisch als hypocriet betoog tegen de joden, staat hem minder fraai. Vooral de aandoenlijke passage over de joden in Duitsland die protestacties aan den lijve moeten voelen, is een staaltje van `gevoel' waaraan men niet zonder weerzin voorbijgaat. Hoe echt dit medelijden van de gerokte antisemiet met de joden is, kan men wel afleiden uit de bedoelingen die hij hun rasgenoten in de emigratie toeschrijft: `Zolang dit vraagstuk (het joodse vraagstuk) niet afdoende is opgelost, zal het als een dreigende oorlogswolk over Europa blijven hangen. Laat men thans enkele tienduizenden joden over West-Europa uitzwermen, en laat men de overigen waar zij zijn, dan keert die rust nooit terug. Immers aan gene zijde van onze oostgrenzen gaat de strijd der autochtone bevolkingen tegen de joden voort, zelfs als die strijd zich niet naar het westen voortplant. De emigranten blijven ten bate hunner verdrukte volksgenoten onrust stoken tegen de verdrukkers. En dat alles natuurlijk crescendo.' Met andere woorden: in Europa zal alles pais en vree zijn, als er maar geen onruststokende geëmigreerde joden waren. Niet zij die door hun geweldpolitiek het joodse vraagstuk forceerden en die de pogroms organiseerden, zijn schuldig, maar: de joden. De heer Zwaardemaker is hier aangeland op het peil der antisemitische propaganda waarvoor de rok zelfs overbodig is...

Dat ik er weinig prijs op stel de lezer te vermoeien met de oplossingen van het joodse vraagstuk waarvan de heer Zwaardemaker zwanger gaat, zal wel niemand verbazen. Men zal het zeer ingewikkelde joodse vraagstuk immers nooit oplossen, wanneer men uitgaat van door rancune en haat verwekte schijntheorie, zo min als men het oplossen kan door een overhaaste assimilatie en idealisering van de joden als groep. Van veel meer belang dan de oplossing van de heer Zwaardemaker is voor ons zijn antisemitisme-in-rok aangezien het zich slechts door das en boord onderscheidt van het populaire antisemitisme; en dat de redactie van een tijdschrift als De Gids, waarschijnlijk bekoord door de rok, dergelijke waar opneemt, zij het dan ook met excuses, is een van de tekenen des tijds.

Dit is de vijfde aflevering van een serie waarin uit alle decennia van deze eeuw een voor dat decennium kenmerkend artikel wordt gepubliceerd.

Menno ter Braak

Het portret bij het artikel uit 1939 van Menno ter Braak Antisemitisme in rok (in de krant van donderdag 27 mei, pagina 8) is gemaakt door John Buckland Wright en verscheen in 1935 in Ter Braaks `Het tweede gezicht'.