SONGFESTIVAL NOSTALGIE

Rudi Carrell draaide er na afloop niet omheen: zijn optreden op het Eurovisie Songfestival van 1960 in Londen, met het opgewekte Wat een geluk, was niets meer of minder dan ,,een sof'' geworden. Overmand door zenuwen stond hij in een stijve smoking tegen de toon aan te zingen, steeds verder buiten adem, en tenslotte ook niet meer in staat de laatste noot tot een glorieus einde te brengen. Voor de 25-jarige tv-komiek restten slechts 2 punten en de twaalfde, voorlaatste plaats in de ranglijst.

Bewonderend keek Nederland toe hoe professioneel de BBC zo'n evenement met maar liefst dertien deelnemende landen in beeld bracht, al werd hier en daar geklaagd dat de uitzending (door het tijdsverschil met Engeland) zo laat begon en pas om kwart over elf was afgelopen. De winnares werd het 18-jarige Franse zangeresje Jacqueline Boyer met het kittige Tom Pillibi, door tv-redacteur Frans van Lier in het Algemeen Handelsblad gekarakteriseerd als ,,een lieftallig borduurwerkje, dat enigszins het midden houdt tussen een onschuldig kinderliedje en een naïeve soldatendeun''. Ze ontving haar trofee uit handen van onze eigen Teddy Scholten, die het voorgaande festival had gewonnen met Een beetje.

Rudi Carrell, wiens nogal hulpeloze optreden dezer dagen (tot 19 juni) te zien is in een compilatie van Songfestival-fragmenten in het Omroepmuseum in Hilversum, ondervond van zijn ondergang geen blijvende schade. Zelfspot was de beste verdediging, besloot hij. Reeds bij terugkeer op Schiphol bracht hij, omstuwd door verslaggevers, een eigen versie van het betreurde nummer ten gehore. ,,Wat een geluk dat ik een stukje van de wereld ben'', luidde de oorspronkelijke versie. ,,Wat een geluk dat ik niet net de allerlaatste ben'', maakte Carrell er toen van.

(Foto N.V. De Arbeiderspers)