Politiek VS boos dat China kòn spioneren

Het Amerikaanse rapport over nucleaire spionage van China heeft in Washington tot grote verontwaardiging geleid. Maar de boosheid richt zich niet alleen op Peking, maar ook op de eigen regering.

Opeens doemde gisteren in Washington, bijna tien jaar na het einde van de Koude Oorlog, het schrikbeeld op van een nieuwe nucleaire wapenwedloop. Deze keer met China als rivaal. Volgens een commissie van het Congres heeft China decennialang systematisch een spionagecampagne gevoerd om Amerikaanse nucleaire geheimen te bemachtigen. China zou de informatie gebruiken om zijn kernmacht te moderniseren. Dit zou een bedreiging betekenen voor Amerikaanse bondgenoten in Azië en ook voor daar gelegerde Amerikaanse troepen.

China spreekt de beschuldigingen met kracht tegen. Maar de commissie, die bestaat uit vijf Republikeinen en vier Democraten, ontleent in de Verenigde Staten politieke geloofwaardigheid aan het feit dat haar leden unaniem zijn in hun conclusies. Zelfs president Clinton prees de ,,zorgvuldige en onpartijdige aanpak'' van de commissie, ook al verwijt deze de regering ernstige laksheid bij het beschermen van hoogst geheime informatie. Maar hij onderstreepte ook dat hij zijn politiek van toenadering tot China zal voortzetten, omdat dat in het belang van de nationale veiligheid is.

De publicatie van het rapport van de commissie-Cox, genoemd naar de Republikeinse voorzitter, Christopher Cox, lokte in Washington felle reacties uit. Veel politici en commentatoren waarschuwden dat de bevindingen van de commissie verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de Amerikaanse nationale veiligheid en voor de betrekkingen met China. Die betrekkingen zijn sinds het abusievelijke bombardement van de Chinese ambassade in Belgrado toch al sterk bekoeld.

China heeft volgens de commissie de blauwdrukken gestolen van alle soorten kernkoppen die de VS op het moment geplaatst hebben. Volgens Cox is het ,,buitengewoon waarschijnlijk'' dat de spionage nog steeds voortduurt. De ,,onverzadigbare Chinese honger naar informatie en technologie'' zou Peking ook geholpen hebben aan het ontwerp van de neutronenbom en aan Amerikaanse technologie die ingezet kan worden tegen onderzeeërs en satellieten.

De commissie, die 150 getuigen heeft gehoord en inzage heeft gehad in vertrouwelijke informatie van de CIA, wijst niet één of meer meesterspionnen als boosdoeners aan. Anders dan de Sovjet-Unie en de VS in de Koude Oorlog, die een grote rol toekenden aan individuele spionnen, zou China geheime informatie verzamelen met behulp van een enorm ,,mozaïek'' van mensen.

Soms werden Amerikaanse wetenschappers van Chinese afkomst gepaaid met gratis reisjes naar het moederland, waar hun vervolgens in vriendschappelijk sfeer het hemd van het lijf werd gevraagd. Soms werden Amerikaanse zakenlieden die hun producten op de Chinese markt wilden afzetten als bron van informatie gebruikt. Soms ook ging het er bij het verzamelen van informatie, vooral in de Amerikaanse laboratoria, duidelijk illegaal aan toe.

Maar over specifieke gevallen van diefstal van informatie zegt het rapport weinig. In 1997 is een Amerikaanse wetenschapper van Chinese afkomst, Peter Lee, veroordeeld voor het doorspelen van informatie aan China. Op verdenking van hetzelfde werd een andere onderzoeker van Chinese afkomst, die werkte bij het nucleaire laboratorium Los Alamos, afgelopen december ontslagen. Maar deze Wen Ho Lee is niet in staat van beschuldiging gesteld, mogelijk omdat het bewijzen van spionage voor de rechter bijzonder moeilijk is.

Vooraanstaande Republikeinen verweten de regering-Clinton dat zij verzuimd heeft om snel te reageren toen zij voor het eerst van de spionage hoorde. De leider van de Republikeinse meerderheid in het Huis van Afgevaardigden, Richard Armey, riep om het aftreden van Nationale Veiligheidsadviseur Sandy Berger, omdat die de president niet tijdig had ingelicht. Senator Richard Shelby herhaalde zijn oproep aan minister van Justitie Janet Reno om af te treden, omdat zij de FBI aanvankelijk te weinig bevoegdheden had gegeven om de spionage aan het licht te brengen. En de machtige Afgevaardigde Tom Delay beschuldigde de regering ervan ,,een oogje toe te knijpen terwijl communistisch China onze grootste nationale veiligheidsgeheimen stal''.

Ook de Republikeinen die azen op de nominatie van hun partij voor de volgende presidentsverkiezingen uitten felle kritiek. George W. Bush, gouverneur van Texas en zoon van oud-president Bush onder wiens bewind de spionage ook al plaatshad, zei: ,,Het is betreurenswaardig dat China geheimen gestolen heeft tijdens de regeringen van Carter, Reagan, Bush en Clinton. Maar slechts één regering wist ervan...''

De meeste critici richtten hun pijlen zeker zoveel op de eigen Amerikaanse regering als op China. Dat China spioneert zal voor weinigen een verrassing zijn geweest. Maar de gebrekkige Amerikaanse contraspionage in de laboratoria was dat wel. Daarbij werd het anti-China-sentiment getemperd door het besef dat de betrekkingen met de toekomstige Aziatische grootmacht op het spel staan, en ook de richting waarin dat land zich de komende decennia zal ontwikkelen. De verklaarde tegenstanders van Clintons politiek van toenadering tot China hebben het rapport-Cox al aangegrepen om hun argumenten kracht bij te zetten. Maar nog steeds zijn er in beide partijen voorstanders van Clintons beleid. Veel Republikeinen zijn niet van plan om de betrekkingen met China op deze zaak te laten stuk te laten lopen. George W. Bush bijvoorbeeld waarschuwde weliswaar dat ,,het machtsevenwicht hierdoor zal verschuiven, en dat het de opkomst van China als kernmacht zal versnellen''. Maar hij zei ook dat de handelsbetrekkingen tussen de VS en China moeten worden voortgezet en dat China toegelaten moet worden tot de Wereldhandelsorganisatie.

Volgens de Amerikaanse onderzoeker Jonathan Pollack, van de denktank RAND Corporation, weerspiegelt de grote ophef over het rapport-Cox een diepe bezorgdheid in Amerika over de vraag hoe China zich de komende jaren ontwikkelt. ,,We zijn heel onzeker over de strategische intenties en militaire ambities van China op lange termijn, en ook over de aard van het politieke regime'', zei Pollack gisteren op de publieke omroep PBS. ,,We zijn bezorgd over de vraag met wat voor soort China we straks te maken zullen hebben, juist nu de economische en technologische samenwerking de afgelopen jaren zo sterk is toegenomen.''