Lokale lasten in '98 fors verhoogd

Over de hele linie zijn de lokale lasten voor de burgers vorig jaar flink gestegen, maar er zijn ook grote verschillen per gemeente.

De tarieven van lokale belastingen en heffingen zijn dit jaar aanzienlijk sterker gestegen dan de inflatie. Dit blijkt uit een inventarisatie die is gemaakt door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) van de Rijksuniversiteit Groningen. Net als vorig jaar bracht het centrum de lasten in kaart die gemeenten en waterschappen de burgers in rekening brengen. De resultaten daarvan worden vandaag gepubliceerd in Atlas van de lokale lasten 1999.

Gemiddeld is het rioolrecht het meest gestegen, tien procent, maar ook de stijging van de reinigingsheffing en de onroerende-zaakbelasting (OZB), respectievelijk zeven en zes procent gemiddeld, ging de inflatie in 1998 van twee procent ruim te boven. Alleen de waterschapsheffingen volgden gemiddeld genomen de geldontwaarding.

Achter die gemiddelden gaan grote verschillen schuil. Er zijn gemeenten waar de woonlasten voor een meerpersoonshuishouden in een gemiddelde woning met meer dan twintig procent zijn toegenomen, er zijn er ook enkele waar die lasten zijn gedaald. Heino, Nieuwegein en Harmelen verhoogden de tarieven het meest. In een vijfde van alle gemeenten bedroeg de lastenstijging meer dan tien procent.

De lasten daalden het meest in Rijnwaarden, Losser en Steenderen, gemeenten waar een nieuw tariefsysteem voor de reinigingsheffing werd ingevoerd volgens het principe `de vervuiler betaalt'. Huishoudens betalen meer naarmate ze meer afval aanbieden. Inmiddels hanteert tien procent van de gemeenten een dergelijk systeem.

Achter een deel van die verhogingen en verlagingen liggen duidelijke politieke keuzes. Zo proberen steeds meer gemeenten een eigen inkomensbeleid te ontwikkelen, niet alleen door mensen met lage inkomens de gemeentelijke lasten geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden – dit gebeurt in vrijwel alle gemeenten – maar ook door het rioolrecht of de reinigingsheffing te verlagen onder gelijktijdige verhoging van de onroerende-zaakbelasting (OZB). Dit deden 23 gemeenten. De OZB is afhankelijk van de waarde van de woning en daarmee in veel gevallen waarschijnlijk ook van de hoogte van het inkomen.

Er zijn overigens ook dertien gemeenten die precies het tegenovergestelde deden: OZB verlagen en reinigingsheffing of rioolrecht verhogen. Zij doen dit doorgaans vanuit een streven de kosten van rioolrecht of reinigingsheffing beter te dekken.

De gegevens over de druk van de lokale lasten bevestigen een eerdere bevinding van het COELO, namelijk dat de hoogte van de gemeentelijke belastingen afhangt van de politieke kleur van de gemeenteraad. Hoe linkser de raad, hoe hoger de belastingdruk. Van de grote partijen hebben PvdA en D66 een duidelijke voorkeur voor hogere belastingen, het CDA voor lagere belastingen. Opmerkelijk is, aldus de auteurs van de atlas, dat het aandeel van de VVD in de raad niet van invloed is op de belastingdruk. Het maakt wel uit of er VVD'ers in het college zitten: met meer VVD'ers en CDA'ers in het college is de belastingdruk lager, met meer wethouders van PvdA en D66 is die hoger.

De duurste gemeenten voor de burgers zijn Abcoude, Deventer (althans het voormalige Diepenveen), Nijmegen (althans Lent, een deel van de gemeente Elst dat bij Nijmegen is gevoegd) en Vlieland. Hier liggen de lasten voor een meerpersoonshuishouden in een gemiddelde woning boven de 1.700 gulden per jaar.

Het goedkoopst zijn Oostburg, Sluis-Aardenburg, Axel en Katwijk. Hier liggen deze lasten onder de 800 gulden per jaar. In 80 procent van de gemeenten liggen deze lasten tussen de 1.000 en 1.400 gulden.