Kabinet moet investeren in mensen

Het eerste en tweede paarse kabinet vierden triomfen met het poldermodel. Het bracht Wim Kok als staatsman achter dezelfde tafel als Bill Clinton. Maar nu is het sprookje uit, door een binnenbrandje onder de Haagse kaasstolp. Gelukkig doven brandjes onder kaasstolpen na verloop van tijd weer uit bij gebrek aan zuurstof.

De euforie over het poldermodel komt voorlopig niet meer terug. Dat is niets om rouwig over te zijn. Want we moeten op zoek naar nieuwe recepten voor de problemen van vandaag. En die zijn te vinden in een beter evenwicht tussen `leven en werken'. Een evenwicht dat leidt tot een meer ontspannen, gezonder arbeidsbestel. We willen werken in een maatschappij die niet gekenmerkt wordt door toenemende jachtigheid en agressiviteit. Leuk werk, in een prettige omgeving, gezondheid en welzijn, daar moeten we naar op zoek.

Tijdens de WAO-enquête waren werkgevers en werknemers nog de vijand van de politiek. Van de CAO deugde niets, en de algemeen verbindverklaring van CAO-bepalingen werd bijna afgeschaft. De SER was vijf jaar geleden nog een synoniem voor een overjarige vrieskist.

Op de een of andere manier kwamen we merkwaardig snel van ,,wat heb ik eigenlijk aan sociale partners', zoals de toenmalige minister van Sociale Zaken, Bert de Vries, het in 1993 zei, bij de grap van een van zijn opvolgers, Klaas de Vries: ,,Er is geen betere partner dan een sociale partner.'

Omdat sociale partners die hele periode ongeveer hetzelfde gedaan hebben, is de verandering in waardering moeilijk te plaatsen, maar het toont wel aan dat lof en kritiek relatief zijn.

De wetten van de pendelbeweging zullen nu wel weer een tijdperk inluiden van kritiek op de sociale partners. Het poldermodel zal verguisd worden. De meest modegevoelige partij, D66, is er al mee begonnen. Zo deelde Tweede-Kamerlid Bert Bakker kort geleden mee dat de FNV onvoldoende aan de emancipatie had gedaan, en het dossier arbeid en zorg niet serieus nam. Hij vergeet dat het de vakbeweging was die, eerder dan in menige wet, het kostwinnersbeginsel uit de CAO haalde. Hij weet niet dat meer dan 50 procent van de kinderopvangplaatsen bedrijfsplaatsen zijn, omdat de FNV het politieke falen rond de kinderopvang in de CAO hebben moeten repareren. Hij negeert dat de FNV kort gedingen moest aanspannen tegen de staat om gelijke behandeling van vrouwen in de werkloosheidsverzekering af te dwingen. Maar goed, zolang het Bert Bakker is die zijn partij met onbenul probeert te profileren, valt de schade nog wel mee. Het leidt wel tot begrip voor mensen die er niet wakker van liggen als D66 buiten de regering valt, en die vinden dat een PvdA-VVD-coalitie aan het werk zou kunnen blijven met alle dringende dossiers die op een oplossing liggen te wachten.

De kritiek op het poldermodel zal de komende tijd dan ook toenemen, ook van de zijde van verstandiger mensen. Die kritiek zal soms even onterecht zijn als de lof die de FNV de laatste jaren is toegezwaaid. Maar daar moeten we tegen kunnen. Straks zal bij unanieme SER-adviezen het commentaar wel weer luiden dat het kleffe compromissen zijn. Bij verdeelde adviezen zal men zeggen dat `ze' het ook nooit eens worden. Maar intussen gaat het echte leven door, en dat is tenslotte interessanter.

Een deel van dat echte leven bestaat er uit dat we gewoon ons werk doen. Werkgeversorganisaties doen aan belangenbehartiging, net als de FNV. We vullen voor onze leden jaarlijks 120.000 belastingbiljetten in, welk belastingstelsel er ook is. We helpen onze leden zo goed mogelijk door het doolhof van de sociale zekerheid en we sluiten jaarlijks 400 redelijke tot goede CAO's af. En dat is het grootste deel van het echte werk dat de FNV doet.

Toch moeten wij ons heroriënteren op de grote lijnen van onze arbeidsverhoudingen. Want onder al die jachtige dagelijkse bewegingen zitten grote lijnen verborgen. Om die grote lijnen te ontdekken moeten we wat in de historie duiken.

De periode van geleide loonpolitiek die hoorde bij de wederopbouw, duurde te lang, en werd beëindigd doordat de lonen onder druk van een veranderde arbeidsmarkt explodeerden. Wat volgde was een wat wilde tijd, gekenmerkt door decentralisatie van het overleg en door een vaak felle confrontatie tussen `kapitaal en arbeid' die in de jaren zeventig zeer ideologisch van karakter werd. Langzaam ontstond een moeilijke situatie: het centrale overleg tussen vakcentrales en regering bestond nog wel, maar stuurde steeds minder de arbeidsverhoudingen. Een strijdlustige, gedecentraliseerde vakbeweging vroeg en kreeg flinke loonsverhogingen, uiteindelijk ook in een periode van grote reorganisaties en toenemende werkloosheid. Verandering was nodig, maar werd pas laat onderkend.

Het akkoord van Wassenaar in 1982 was vervolgens een echt keerpunt: de FNV zette zich in voor meer werk, met collectieve arbeidsduurverkorting als machtig middel om dat werk eerlijker te verdelen. In het verlengde hiervan maakte de FNV een andere keus dan vakbonden in veel overige Europese landen. Gekozen werd niet per definitie voor verbetering van het inkomen van de kostwinners, maar voor herverdeling van het werk, zodat ook de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen kon worden vergemakkelijkt. In 1993 werd die keus voortgezet in `Een Nieuwe Koers'. Als extra element werd evenwichtige flexibilisering van de arbeidsmarkt toegevoegd. In het akkoord Flexibiliteit en Zekerheid (1996) kwam dit tot volle wasdom.

Typisch Nederlands is dat al die akkoorden eigenlijk helemaal niet bindend waren, maar wel grote invloed hadden. Het was meer klimaatbeheersing dan klimaatcontrole, en de geest van de akkoorden vond zijn weg naar de CAO-onderhandelingen. Dat lukt niet altijd, en niet altijd snel, want ons model kent geen in Den Haag gevestigde commandocentrale. Maar omdat het systeem is gebaseerd op verkrijgen van draagvlak, werkt het vaak beter dan wetgeving vanuit een ivoren toren. Zeker als het gaat om `moeilijke' onderwerpen als arbeidstijdverkorting of te hoge werkdruk, die een lange `incubatietijd' hebben.

Alles overziend hebben we dus geleerd dat geleide loonpolitiek zijn grenzen kende in onder meer de werking van de arbeidsmarkt en in decentralisatie. Daarom spreken we nu van een verantwoorde loonontwikkeling, die ruimte overlaat voor andere doelstellingen. De FNV legt niet meer op, maar coördineert.

De FNV heeft geleerd dat een verantwoorde loonpolitiek ook goed is voor het scheppen van werkgelegenheid en voor het eerlijker verdelen van het werk onder mannen en vrouwen. De door werknemers gewenste flexibiliteit kan goed in evenwicht worden gebracht met de voor bedrijven en instellingen noodzakelijk flexibiliteit. Via de arbeidsverhoudingen is daadwerkelijk de emancipatie bevorderd. Dit alles is verwerkt in het stelsel van arbeidsverhoudingen, en breder nog, in ons overlegmodel, en daar kunnen we goed de volgende eeuw mee in.

Maar het is nog lang niet af: zo zijn er wel extra banen gekomen, maar het zijn vaak kleine baantjes die vooral voor vrouwen gereserveerd zijn. En de inkomensverdeling is verre van perfect. De een steekt onbeschaamd 25 miljoen per jaar extra in de zak, de ander is aangewezen op bijzondere bijstand. Dat behoeft, samen met veel andere onrechtvaardigheden, correctie. Maar alleen het karwei afmaken is niet langer voldoende.

Daarom moeten we dus op zoek naar nieuwe recepten voor nieuwe problemen. Want er zijn tekenen van verval die niet met de waan van de dag te maken hebben. Werkloosheid en arbeidsongeschiktheid zijn in Nederland nog altijd veel te hoog. Koppel dat eens aan de extreme werkdruk waaraan veel werkenden bloot staan. Verbind dat eens met de jachtigheid waarin het moderne leven zich ook buiten `werktijd' voltrekt. Probeer daar weer eens een andere dimensie achter te denken: diezelfde jachtigheid zou wel eens rechtstreeks verbonden kunnen zijn met de toenemende kortademigheid en agressiviteit die onze maatschappij begint op te breken. Problemen die om aandacht schreeuwen, en overal gevoeld worden. Stress speelt overal, geweld teistert niet alleen de politie, maar ook de horeca, de winkeliers, sociale zekerheidsinstellingen, het openbaar vervoer. En alle burgers zitten er mee.

We moeten op zoek naar nieuwe evenwichten tussen leven en werken. In hoog tempo verder dus – en laat die kabinetscrisis maar snel bezworen worden – met stimuleren van grote, volwaardige, deeltijdarbeid voor mannen en vrouwen. Grote banen kleiner, en kleine banen groter!

Als we dat doen, kunnen we het oude ideaal van de FNV, waarin het merendeel van de mensen 32 uur werkt, dichterbij brengen zonder de nadelen van de collectieve arbeidsduurverkorting. Werkgevers en werknemers kunnen in de CAO de mogelijkheden voor dergelijke arbeidspatronen beter regelen en – heel belangrijk voor de moderne werknemer – de zeggenschap over hoeveel en wanneer er wordt gewerkt vergroten. Wij moeten de strijd om de tijd weer aan. Zo kan het werk beter worden verdeeld, en onnodig overwerk worden teruggedrongen. En minder werkdruk is meer werkplezier. We leven tenslotte niet om te werken, maar leuk werk moet onderdeel zijn van een leuk leven.

Waarschijnlijk wordt het met voldoende investeringen in scholing en begeleiding van werkenden en niet werkenden, gemakkelijker om in zo'n meer ontspannen arbeidssituatie mee te draaien. En dat geldt vooral voor de grote groep vrouwen die graag in het arbeidsproces zouden willen herintreden, en die wij nu in veel bedrijfstakken al hard nodig hebben. Zij zullen arbeid en zorgtaken willen blijven combineren op een verantwoorde manier. En ook de uitval van ouderen uit het arbeidsproces zou op deze wijze kunnen worden bestreden, zeker als we voor iedereen de arbeidsomstandigheden zouden kunnen verbeteren.

Het kabinet zou veel kunnen doen als ze weer missionair wordt. Met of zonder D66. Een wettelijk recht op deeltijd, een goede positie voor de deeltijdwerker in het nieuwe belastingstelsel, het zijn maar voorbeelden. De negatieve inkomstenbelasting moet er zeker komen, hetzelfde geldt voor een basisvoorziening van de kinderopvang. Er moet in de zorgsector worden geïnvesteerd, niet alleen vanwege de grote werkdruk die er heerst, maar ook omdat die sector kan bijdragen aan de nieuwe balans tussen leven en werken. Ook de vergrijzing nodigt uit tot investeringen in die sector. Naleving en verbetering van allerlei regels op het gebied van arbeidsomstandigheden zou meer aandacht moeten krijgen.

Wellicht hebben we hier ook de kern te pakken van een `nieuw akkoord van Wassenaar'. Met als extra element dus de leefbaarheid, de gezondheid en het welzijn van alle mensen in ons land. Met als motto: investeren in mensen. Dan hoeft een nieuw kabinet ook niet meer naar een motto te zoeken.

Er valt dus genoeg te doen, ook al zal de komende jaren de zure regen over het poldermodel neerdalen. Er moeten initiatieven worden genomen die echte invloed hebben op het leven van gewone mensen. Dan kunnen te zijner tijd de modieuze profeten zeggen dat het poldermodel toen pas echt begon.

Lodewijk de Waal is voorzitter van FNV-Bondgenoten.

De Waal

Onder het artikel Kabinet moet investeren in mensen (in de krant van woensdag 26 mei, pagina 10) staat dat de auteur, Lodewijk de Waal, voorzitter is van FNV Bondegenoten. De Waal is voorzitter van de vakcentrale FNV, waarbij FNV Bondgenoten is aangesloten.