Een oude wassen neus

Aan de Nederlandse democratie kan het een en ander worden verbeterd, maar het staat te bezien of een raadgevend referendum ons in deze tijd dichter bij de volmaaktheid zou brengen. Toen D66 werd opgericht, zou het misschien anders zijn geweest. De partij had zich voorgenomen om, zoals Hans van Mierlo het uitdrukte, het bestel op te blazen. Dit bestel werd gezien als de verstarde constructie van de zuilen dat, wortelend in politiek Den Haag, zich door de natie had vertakt. Het zichzelf voortzettende systeem was ontoegankelijk voor de `mondige burger' die zich niet aan zo'n zuil wilde conformeren. De mondige burgerij verenigde zich en veroverde een bruggehoofd in de Tweede Kamer. Het bestel zag het gevaar en zette zich schrap – met resultaat. Intussen is dit oude bestel niet opgeblazen maar min of meer opgelost, zonder dat het dynamiet van het referendum eraan te pas is gekomen.

Met het raadgevend referendum hebben we toch ervaring kunnen opdoen. De stadsprovincies Amsterdam en Rotterdam zijn er niet gekomen. Wel zal Amsterdam worden uitgebreid met IJburg en de voorstanders van de Noord-zuidlijn, de nieuwe metroverbinding, hebben hun zin gekregen. Of daar de juiste beslissingen uit de bus zijn gekomen, laat ik in het midden. Het gaat me nu om de manier waarop de campagnes zijn gevoerd. De stadsprovincies – doordachte bestuurlijke concepten – zijn door de tegenstanders beschouwd als samenzweringen om geboren en getogen stedelingen via het ambtelijk apparaat van hun tradities en identiteit te vervreemden. De strijd om IJburg is onvergetelijk dankzij de Nederlandse Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten. De politieke leiding van dit vreedzame gezelschap heeft o.a. met behulp van ontroerende affiches geprobeerd de kiezers ervan te overtuigen dat door de bouw van dit wooncomplex voor mensen ongetelde eendenfamilies dakloos zouden worden. Toen tenslotte de Noord-zuidlijn aan de orde kwam, bleek – tot verrassing van de talrijke direct betrokkenen – voor dit ingrijpende miljoenenproject bij de kiezers maar een flauwe belangstellig te bestaan.

De ervaring leert dat referenda in deze tijd vooral de demagogische talenten mobiliseren. Op zichzelf geen nadeel; de Nederlandse politiek kan wel wat meeslepende spreekvaardigheid gebruiken. Maar dit is geen demagogie van oratorische talenten. Deze demagogie is te huur bij de reclamebureaus. Het is demagogie op basis van marketing, bedacht door anonieme copywriters die denken dat ze er verstand van hebben (wat gelukkig niet altijd het geval is, zoals de ervaring ook leert, maar het is niet uitgesloten dat ze al doende beter zullen worden). De partij met het meeste geld maakt straks de beste propaganda. We moeten oppassen dat een referendum niet gekocht kan worden, zei burgemeester Patijn toen dat over de Noord-zuidlijn in voorbereiding was. De grote belangen op lange termijn maakt het steeds waarschijnlijker dat commerciële partijen in het verborgene hun bijdrage tot de campagnes zullen leveren. Dat heeft met de volkswil dan niets meer te maken.

Een referendum over zuiver geestelijke zaken – abortus, euthanasie – valt gemakkelijker te verdedigen. Maar gesteld dat direct de mening van het volk zou worden gevraagd over de uitbreiding van Schiphol of een luchthaven in zee, de aanleg van de Markerwaard. Dat zou een dringende uitnodiging aan alle oncontroleerbare belangen zijn, om daar in het troebel water van de volksraadpleging te gaan vissen. In 1966 kon het referendum worden beschouwd als een middel om het directe contact tussen kiezers en gekozenen, de burgerij en het bestuur te herstellen. In 1999 en later zou het vooral het contact van reclamebureaus en andere zich expert wanende instanties met het publiek bevorderen. Een ander soort vervreemding, die een jaar of dertig geleden in Nederland nog niet werd voorzien.

Grote projecten als IJburg, de stadsprovincies, staan niet op zichzelf. Uitvoering of verwerping beïnvloedt op een of andere manier het nationaal belang. Ze zijn onderdeel van de landspolitiek en daarom horen ze thuis in de programma's van de politieke partijen. Als zo'n groot project felle tegenstellingen veroorzaakt, moeten de partijen niet het referendum als omweg gebruiken, om een duidelijke bepaling van hun standpunt te vermijden. Juist dat zou een reden voor de kiezers kunnen zijn om zich `vervreemd' te voelen en zich van de politiek af te keren. Een groot project te maken tot een one issue, het onderwerp voor een referendum is kiezersbedrog. Het is een soort instant-democratie waarmee snel voldongen feiten kunnen worden geschapen en lastige vraagstukken van tafel gemanoeuvreerd, zodat men er bij de echte verkiezingen geen last meer van heeft.

Overigens is bij zo'n geclausuleerde, zwaar ingebedde constructie als deze referendumwet het sop de kool niet waard. Een raadgevend referendum is eerder een ingewikkeld opinieonderzoek van het type `ja, nee, geen mening', dan een uitspraak van het volk. Opinieonderzoeken zijn er praktisch iedere week; de politiek kan niet meer zonder omdat, of we het het leuk vinden of niet, in deze tijd de politiek nu eenmaal verkoopbaar moet blijven. Een raadgevend referendum zou er dus ook toe kunnen bijdragen dat de politiek op haar allerverkoopbaarst aan de kiezers verschijnt.

Door de kabinetscrisis te veroorzaken heeft Hans Wiegel zich in de ogen van veel mensen ontmaskerd als een anti-democratisch monster. De oudste zak onder de ouwe zakken van de Eerste Kamer, ,,het oerconservatieve publiciteitsgeile mediabeest'', las ik ergens. Hef de Eerste Kamer op! Zo nieuw is dat idee ook niet. Jacques de Kadt heeft het gepropageerd. Maar als Hans Wiegel nu eens niet `het embonpoint van de bejaarde politicus' had, als hij een jaar of dertig was geweest, dapper tegen de waan van de dag optornend, kundig gebruik makend van alle kansen die de moderne media hem boden, een gespierde kerel die de moed had om onder alle omstandigheden op te komen voor zijn beginselen, en hij had pardoes het hele kabinet laten vallen, zou hij dan ook die ontladingen van woede over zich heen hebben gekregen? Misschien had hij eerst een reclamebureau moeten raadplegen.