Spionerend China

KORTGELEDEN BRAK HET GEZWEL open van China's nucleaire spionage in Amerika. In eerste instantie ging het om een incident dat zich in de jaren tachtig tijdens het bewind van president Reagan had voorgedaan. Maar alras rees het vermoeden dat het om een volgehouden en stelselmatige activiteit ging waar opeenvolgende Amerikaanse regeringen niet al te veel aandacht aan hadden besteed. Met name de tegenwoordige regering – die toch al verdacht wordt van het aanvaarden van Chinese financiële steun aan de herverkiezing van Bill Clinton in 1996 – kreeg het in het Congres zwaar te verduren.

Dat Congres krijgt vandaag een rapport voorgelegd van een eigen onderzoekscommissie waarin wordt vastgesteld dat over een periode van twintig jaar China beslag heeft weten te leggen op ontwerpen voor nucleaire raketkoppen en op tal van andere militaire geheimen. Frontorganisaties en -ondernemingen zouden in de VS zijn opgezet om de Amerikanen hun geheimen te ontfutselen. Bovendien zouden Amerikaanse producenten van satelliet- en rakettechnologie, die met vergunning van de Amerikaanse overheid in China werkzaam zijn, zich niet aan de voorwaarden hebben gehouden.

Kortom, de indruk kan ontstaan dat de Chinezen een groot deel van hun strategische achterstand hebben weten in te lopen met behulp van op illegale wijze verkregen Amerikaanse gegevens. Dat komt des te harder aan omdat de Amerikanen China zijn gaan zien als hun potentieel belangrijkste rivaal in de 21ste eeuw. Het is om die reden dat de regering-Clinton haar politiek van constructive engagement heeft gelanceerd en heeft ingebonden op thema's als de mensenrechten in China en China's militaire steun aan Amerika onwelgevallige regimes, zoals bijvoorbeeld dat van Iran. Door China steeds meer te integreren in het proces van globalization zouden de scherpe kanten van de rivaliteit kunnen worden afgeslepen, was de leidende gedachte.

HET HOOGTEPUNT VAN het Amerikaanse engagement werd bereikt tijdens Clintons bezoek aan China vorig jaar. Op campussen en voor de televisie sprak de Amerikaanse president over de democratische verworvenheden in zijn land zonder al te kritische noten over de toestand in China zelf te plaatsen. De weg naar duurzame zonnige verhoudingen leek open te liggen. Maar de rel over China's spionage heeft inmiddels de horizon verduisterd. Zozeer zelfs dat tijdens een recent bezoek van premier Rongji aan Amerika Clinton niet thuis gaf op China's verzoek om te worden toegelaten tot de Wereldhandelsorganisatie. Ook op het gebied van de bilaterale handel zijn er wrijvingen. De geslotenheid van de Chinese markt bevalt de Amerikanen geenszins. Maar dat Chinese concessies in Washington zo hardhandig werden terzijdegeschoven, wijst erop dat de spionagekwestie in de Amerikaans-Chinese betrekkingen een soort nucleaire winter heeft veroorzaakt. De NAVO-bommen op de Chinese ambassade in Belgrado worden in Peking dan ook beschouwd als doelbewust afgeworpen.

DE VRAAG IS hoeveel ruimte de president na dit vernietigende congressionele rapport nog overhoudt om zijn beleid van verdere opening naar China alsnog door te zetten. China's officiële en verontwaardigde ontkenning van de beschuldigingen zal Clinton niet veel verder helpen. Spionage is een kwaad in de internationale relaties dat niet eenvoudig valt weg te nemen en waaraan veel landen zich op de een of andere manier bezondigen. Het loopt pas spaak als de spionnen op heterdaad worden betrapt. Dat lijkt nu met de Chinezen het geval te zijn. Ook al zou achteraf de strategische schade van China's ondergrondse activiteiten blijken mee te vallen, de politieke schade aan de Amerikaans-Chinese relatie en daarmee aan de verhoudingen in de wereld is al niet meer ongedaan te maken.