Maginot

Zo juichend als de Fransen in 1914 ten oorlog trokken, zo vol onwil begonnen ze in september 1939. `Waarom sterven voor Dantzig?' vroegen ze zich af, zoals menigeen dat nu doet ten aanzien van Kosovo. Om die mentaliteit te begrijpen volstaat slechts één beeld: het brandende, rokende, bulderende inferno van Verdun in 1916. In Frankrijk was ongeveer een derde van de mannen tussen 18 en 27 niet teruggekomen uit de loopgraven. Zeven van de tien Franse soldaten had Verdun persoonlijk meegemaakt. `La der des ders', noemden ze de Eerste Wereldoorlog, de laatste van de laatsten.

Met een giechelende schoolklas loop ik nu door de kille gangen van fort Fermont, dertig meter onder de grond. Het was een onderdeel van de Maginotlinie, een onneembaar stelsel van bunkers en onderaardse gangen van Bazel tot Luxemburg, de Franse trots in de jaren dertig. Uiteindelijk zijn de Duitsers er gewoon omheen getrokken.

Ik zie hier de droom van de frontsoldaat uit 1916: een superloopgraaf met slaapkamers, kantines, elektrische treintjes, geheime valkuilen, ziekenzalen, bakkerijen, zelfs een bioscoop tegen de claustrofobie. Boven de grond gaat tussen de grazende koeien opeens een ijzeren deksel omhoog. De loop van een kanon wordt zichtbaar en draait rond. Het werkt nog altijd. Het heeft dezelfde tragiek als het klipperzeilschip: het modernste van het modernste, en toch achterhaald omdat het grondidee verleden tijd is.

Na Verdun was een nieuwe oorlog ondenkbaar. In 1916 probeerden de Duitsers tien maanden lang tevergeefs de stad in te nemen. In 1940 kostte het hun minder dan een dag.