IEA waakt al kwart eeuw over energie-zekerheid

Vijfentwintig jaar geleden, de geboortedag van het Internationaal Energie Agentschap, zat de Westerse wereld diep in de zorgen over de Arabische olieboycot. Vandaag is er sprake van een olievloed en lage prijzen.

Het Arabische olie-embargo tegen de Verenigde Staten en Nederland – een strafmaatregel voor een sterke pro-Israelpolitiek – hield eind 1973 en begin 1974 niet alleen Washington en Den Haag in de greep. Nooit meer zou het worden als voorheen, had premier Den Uyl voor de televisie gewaarschuwd. In oktober 1973 na het begin van de Yom Kippoer oorlog had Opec, de organisatie van olie-exporterende landen, door haar machtspolitiek de olieprijs bijna weten te verdrievoudigen.

Rotterdam, de grootste oliehaven ter wereld, zou worden drooggelegd. Massaal stapte Nederland op de fiets tijdens de autoloze zondagen, benzine ging op de bon en ook met aardgas moest zuinig worden omgesprongen. Minister Lubbers riep op om 's avonds de gordijnen dicht te trekken, de verwarming lager af te stellen en de trui uit de kast te halen. Amerikaanse automobilisten stonden uren in de rij bij hun benzinestation voor een halve tank brandstof.

Alle 23 OESO-landen, die sterk afhankelijk waren van de olie-import uit de Golfregio, moesten een oplossing vinden voor het Midden-Oostenconflict die de Arabische landen het gevoel zou geven dat ze serieus werden genomen. Dat lukte na veel diplomatiek overleg pas na een half jaar: op 10 juli werd de olieboycot opgeheven.

Henry Kissinger, toen de nationale veiligheidsadviseur van president Nixon, speelde daarin een centrale rol. In de weken na de oktoberoorlog wist hij met zijn shuttle diplomacy een vredesakkoord tussen Israel en zijn buurlanden te bereiken. Daarna legde hij de basis voor een nieuwe organisatie die de oliecrisis aan banden moest leggen. Een hechte club die als tegenwicht van het machtige Opec-kartel moest dienen. Dat werd het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs, dat gisteren zijn 25-jarig bestaan vierde. Westerse landen moesten minder kwetsbaar worden voor de ongewisse politieke ontwikkeling in het Midden-Oosten door meer aan de eigen energievoorziening te doen en een verplichte noodvoorraad olie aan te houden. Dat is aardig gelukt, want vandaag kijken de OESO-landen aan tegen een overvloedige olievoorziening en prijzen die in reële termen (exclusief in flatie) nauwelijks hoger zijn als in 1973. Twee maanden geleden lagen ze daar zelfs nog onder.

Het IEA voorziet de hele internationale energiemarkt geregeld van gedetailleerde cijfers over de olieproductie, transport, prijzen, export en import, voorraden, de levering van steenkool, aardgas, elektriciteit en duurzame energie. Die aanpak heeft de winning van energie in het niet-Opec deel van de wereld sterk gestimuleerd. Toch is er geen reden voor de IEA-landen om achterover te leunen, want hun groeiende economieën doen de afhankelijkheid van de olierijke Golfregio nog steeds toenemen. Tegen 2010 neemt die import-afhankelijkheid gemiddeld toe van 65 procent nu tot 70 procent, en bij lage prijzen zelfs tot 75 procent.