Hippocrates en de hulp bij gifmoord

Bijna iedereen die wel eens fantaseert over een mogelijk bezoek aan vroegere tijden – het Athene van Perikles, het Rome van keizer Augustus – maakt een voorbehoud ten aanzien van de medische zorg. Het zou fijn zijn eens rond te kijken, een poosje te blijven, maar je mocht beslist geen ziekte of ongeval krijgen. Want de geneeskunst toen, daar moeten we ons niet te veel van voorstellen.

Toch leggen artsen tot de dag van vandaag de eed van Hippocrates af, afkomstig uit diezelfde duistere tijden. Blijkbaar wordt er verondersteld dat de geneeskunst nog wel wat te wensen overliet, maar de medische ethiek niet. Nog steeds zijn er artsen die zich beroepen op de tekst van de Hippocratische eed ter rechtvaardiging van hun weigering om euthanasie te plegen. Ze houden vol dat ze gezworen hebben dat niet te doen, want de eed zegt: ,,En ook niet zal ik iemand, daarom gevraagd, een dodelijk medicijn geven en ik zal ook geen advies geven van deze aard.'' In het nummer van Hermeneus, tijdschrift voor antieke cultuur, dat aan `De patiënt en zijn artsen' is gewijd, bestrijdt classicus Anton van Hooff dat die uitleg correct is. Hij maakt daarbij gebruik van de interpretatie van een Duitse collega en van teksten uit de oudheid die laten zien dat artsen helemaal niet zo bang waren voor hulp bij zelfdoding, integendeel, dat men het heel vanzelfsprekend vond om de hulp van een arts daarbij in te roepen. Seneca bijvoorbeeld vraagt, als de dood ondanks zijn opengesneden aderen maar niet wil komen, aan een bevriende arts om een vergif. En hij is de enige niet.

Waren die artsen ontrouw aan de eed die ze hadden afgelegd? Nee, zegt Van Hooff. Er staat helemaal niet dat degene die om het dodelijk vergif vraagt van plan is om dat voor zichzelf te gebruiken en dat het om die reden geweigerd moet worden. Iemand zou heel goed om een dergelijk vergif kunnen vragen om er een ander mee uit de weg te ruimen. ,,De arts uit de school van Hippocrates verzekert degene die hem inschakelt, dat hij zich onder geen beding zal lenen voor gifmoord,'' schrijft Van Hooff. En hij vervolgt met de mededeling dat men vanaf de oudheid tot in de Renaissance de tekst niet anders verstaan heeft dan als een belofte om medische hulp bij moord te weigeren. Wie nu denkt: ,,Jawel, maar er staat toch ook niet: `ik zal geen dodelijk medicijn geven, tenzij voor eigen gebruik', er staat toch gewoon dat er hoe dan ook geen dodelijke medicijnen worden verstrekt, zonder te specificeren wie daar welk gebruik van zou kunnen maken,'' wordt de wind uit de zeilen genomen door een helaas niet verder uitgewerkte verwijzing naar `de uitgebreide versie van de Hippocratische eed in versvorm' waarin expliciet beloofd zou worden dat de arts zich niet zal laten omkopen om behulpzaam te zijn bij een gifmoord.

Het is jammer dat Van Hooff dat punt niet meer uitwerkt, het zou zijn interessante stuk overtuigender gemaakt hebben. Nu lijkt de conclusie dat er geen `hoge morele principes' achter de eed zitten wel wat makkelijk getrokken.

Het is een boeiend nummer, deze medische aflevering van Hermeneus. Het geeft ook weer eens de gedachte in dat veel van wat wij zulke moderne inzichten vinden helemaal zo modern niet zijn, dat mensen en hun overwegingen en gedragingen in allerlei opzichten maar weinig veranderd zijn. Zo schrijft de Romeinse arts Galenus (2de eeuw na Chr.): ,,Sommige artsen presenteren hun opvattingen op dictatoriale wijze, zonder er een bewijs van te geven.'' Nu, dat is iets wat moderne artsen nog steeds moeten afleren. En de hygiënische aanwijzingen van Diocles van Carystus (4de eeuw voor Chr.) zou menigeen vandaag de dag nog graag willen opvolgen, al is hij wat huiverig voor het natmaken van het hoofd. Zijn aanwijzingen voor massages, rustige wandelingen, sobere maaltijden en geregeld gebruik van oliën en crèmes om de huid soepel te houden, zouden allemaal zo in chique schoonheidsinstituten overgenomen kunnen worden.

Hermeneus, 7e jrg. nr. 2. Losse nrs. ƒ17,50. Verkrijgbaar bij Ter Burg Offset, Alkmaar. Tel. (072) 5152222.